zaterdag, december 16, 2006

Indochine speelt Vorst-Nationaal plat

Het is een fenomeen dat aan deze kant van de taalgrens maar weinig aandacht gekregen heeft, maar de Franse New-wave-groep Indochine heeft de afgelopen jaren al zijn optredens in België in een minimum van tijd uitverkocht. Gisteren speelden ze voor de zoveelste keer in Vorst Nationaal, en de groep wist iedereen te overdonderen.

In Vlaanderen is Indochine blijven kleven aan het imago van het synthpop-groepje uit de jaren tachtig, vaandeldrager van de Franse New-Wave. In 1982 brachten ze hun eerste plaat ‘l’aventurier’ uit. Het titelnummer werd meteen een internationale hit, en bezorgde de groep een imago van intelligente nerds die hun inspiratie halen uit stripverhalen en computerspelletjes. Ze weten daarmee een enorm publiek aan te spreken. Gedurende de jaren tachtig scoren ze hit na hit, en gaan hun platen ontelbare keren over de toonbank.

Maar aan het einde van de jaren tachtig lijkt het tij te keren. De critici beschouwen de groep als een cliché, en bovendien één van bedenkelijk niveau. De naam Indochine kan niet meer uitgesproken worden zonder er een spottend lachje aan toe te voegen. De verkoopcijfers blijven fenomenaal, maar de groep lijdt duidelijk onder de kritiek. De groep zal zich steeds meer centreren rond de gebroeders Nicola en Stéphane Sirkis, die na het vertrek van andere groepsleden als enigen de groep levend houden.

Revival
Na het overlijden van Stéphane in 1999 besluit Nicola als laatste oorspronkelijk groepslid alsnog Indochine verder te zetten. Hij gaat het geluid vernieuwen, naar een meer industrieel geluid waarin onder meer de invloed van Nine Inch Nails doorschemert. Nicola zal zich ook omringen met nieuwe mensen. Oli de Sat zal als nieuw groepslid creatief meewerken, en er wordt ook beroep gedaan op externe krachten als Mickey 3D en Jean-Louis Murat.

De plaat die hieruit resulteert, 'Paradise', projecteert Indochine weer naar de voorgrond van de Franse muziekscene. Indochine is plots weer helemaal hip. De nummers volgen een concept dat duidelijk succes kent: een mix van elektronica en gitaar, eenvoudig van opzet maar met catchy melodieën en uitgekiende geluiden, alternatief genoeg voor de alternativo’s, en poppy genoeg voor het grote publiek. Iedereen is vol lof over de nieuwe plaat.

‘J’ai demandé à la lune’ wordt een grote hit, gevolgd door verschillende andere nummers. De groep weet ook een nieuw publiek van tieners aan te spreken, en groeit zelfs uit tot een ware hype. De Paradise-tour verkoopt geweldig en zal uiteindelijk 3 jaren aanslepen. In 2006 zal de dubbelaar ‘Alice et June’ verder inspelen op het nieuwe geluid, met wederom een enorm succes.

Nog niet vermoeid
Men kan zich natuurlijk afvragen hoe lang zo een succes kan duren zonder een weerslag te kennen. Het optreden van gisteren was het zoveelste dat maanden op voorhand uitverkocht was. Er staat opnieuw een optreden geboekt voor maart. Maar wie gehoopt had zijn kaarten aan de inkom met een flinke winst te verkopen, kwam bedrogen uit. De kaarten gingen daar voor minder dan 10 euro van de hand, terwijl ze in voorverkoop 34 kostten.

In de zaal vertoonde de revival van Indochine echter nog geen sporen van vermoeidheid. Vanaf het eerste nummer zingt het publiek zowat elke noot mee. Ook de groep is duidelijk in topvorm. Wat vooral opvalt is de enorme aandacht voor het visuele. Het optreden begint met een minutenlange ritmische intro met tekenfilmanimatie op een gordijn. Als het gordijn valt, zet de groep ‘dunkerque’ in achter een tweede, doorzichtig gordijn. Daarop worden eveneens beelden geprojecteerd, in harmonie met de opstelling van de groep. Indrukwekkend.

Rock en nostalgie
De groep speelt anderhalf uur lang de nummers van de twee laatste platen. Dat blijken vooral harde rockers te zijn. Dat is wellicht het materiaal dat het meest bekend is bij het huidig publiek. Pas later op de avond wordt ook aan de nostalgisci iets gegund, met ‘trois nuits par semaine’, een nummer dat het nog altijd goed doet op fuiven in Frankrijk.

Er wordt een rustiger intermezzo ingelast als Nicola op zijn eentje ‘un singe en hiver’ speelt op zijn akoestische gitaar. Daarna komt de groep terug om een akoestische versie te geven van ‘salombo’. De sobere begeleiding van piano en folkgitaar maakt deze versie tot een melodisch hoogtepunt.

Later neemt Indochine het rockrepertoire terug op, met ‘punishment park’ als één van de hoogtepunten van het concert. Als na twee en een half uur zelfs de meest veeleisende ziel begint te denken dat het tijd wordt om af te sluiten, speelt de groep nog een ellenlange versie van ‘l’aventurier’. Het publiek brult zodanig mee dat het nog weinig uitmaakt of de groep juist speelt of niet.

Na een laatste toegift zal Indochine onder luid applaus en toejuichingen het podium verlaten. Wat blijft is het beeld van een groep die de kneepjes van het vak kent, uitstekend kan rocken, op de juiste momenten de spanning op- en afbouwt, sterk esthetisch denkt en een beroep kan doen op een eindeloze reeks hits. Kortom: verbluffend en nog lang niet uitgeblust.

donderdag, november 16, 2006

Das Ich in Vilnius. Laatste optreden?


“This was, and will always be, for the rest of the future, the last show of Das Ich.”

De laatste noten van Gottes Tod zijn net uitgestorven als Stefan Ackermann deze woorden uitspreekt. Het is 11 uur in het zaaltje in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen. Een heel optreden lang al zingt Ackermann duidelijk tegen zijn zin. Hij bleef immobiel achter zijn microfoon staan en zong maar half overtuigd zijn teksten, hij die zich anders in alle mogelijke bochten wringt en zijn ziel uit het lijf schreewt.

Ik was eerder toevallig op dit optreden terechtgekomen, op uitnodiging van een vriend die in Vilnius woont, net toen Das Ich er op een Halloween-Party kwam spelen. Op het programma stonden verder gothic- en metal-groepen uit Rusland, Polen en Litouwen. Deze genres zijn hier erg populair en trekken, in vergelijking met Vlaanderen, een jonger publiek aan. De verwevenheid tussen gothic en metal is hier ook diepgaander als in Vlaanderen.

De organisatoren hadden het optreden van de Poolse deathrock-groep Miguel and the Living Dead kunnen aflassen wegens ziekte van één van de groepsleden. Er werd op Das Ich gerekend om de avond goed te maken.

Het optreden gaat al van meet af aan fout. Bij het openingsnummer stormt Ackermann zoals gewoonlijk als een gek het podium op, maar na amper één strofe houdt hij het voor bekeken en verdwijnt hij. Bruno Kramm en SiSsy (Stefan Siegl) zingen van achter hun keyboards het liedje uit, en kondigen dan een korte pauze aan, “om te zien wat er fout is met onze zanger”. Een probleem met de luidsprekers wordt als aanleiding aangewezen, en na wat boxen verplaatst te hebben kan het optreden verder.

Alleen heeft Ackermann er nu duidelijk geen zin meer in. Hij blijft als versteend achter zijn microfoon staan, kijkt misprijzend het publiek in, en als het even kan verdwijnt hij vanachter op het podium. Bruno Kramm en SiSsy doen hun best om enthousiast te blijven, en het wordt al bij al een goed optreden. Naast de nummers van de laatste cd, Cabaret, worden klassiekers als Kaïn und Abel en Destillat gespeeld. Het geluid viel, vanuit de zaal althans, erg goed mee.

Ackermann kondigt na de eerste bisnummers het einde aan van Das Ich. Heeft hij gewoon een slechte dag? Doet hij dit wel vaker? Of is er echt iets mis? Voorlopig is er alvast geen enkele bevestiging of ontkenning. Misschien is dat ene zinnetje zelfs al lang vergeten… Best zo, trouwens.




dinsdag, april 18, 2006

Ice King & Alexandre du Chayla

Beste vrienden en vriendinnen,

De komende weken zal ik tweemaal optreden als ondersteuning van Ice King, onder de naam Alexandre du Chayla.

Vrijdag 28 april. Café Charlatan. Oude markt 18, 3000 Leuven. Aanvang om 21u.

Vrijdag 2 juni. Café Dada. Wolvengracht 29, 1000 Brussel. Aanvang om 20u.

Ice King speelt, hmmm… iets Keltisch, een beetje beïnvloed door Metal. Hij heeft net een zeer geslaagde cd opgenomen met eigen nummers, die uiteraard te koop zal zijn op deze optredens. Ikzelf speel, hmmm… iets folkachtig, een beetje beïnvloed door Gothic. Beiden spelen we enkel gitaar en zang.

Op twee juni zal ook collega-socioloog Fred Witrave (a.k.a. Filip Demeyst) een aantal van zijn nummers komen brengen, en misschien zelfs meespelen op wat van mijn liedjes.
Beide optredens zijn volstrekt gratis.

Licht op de duisternis

Ik werp om de tijd
Eens mijn licht op de duisternis
Ik ben weer eens kwijt
Welke kant op het noorden is

En de klok tikt voorzichtig voorbij
Waar de stilte verdeelt en heerst
En de klok tikt voorzichtig voorbij

Toch brengt onze strijd
Aan de dijken geen zoden
We kunnen de tijd
Verdrijven of doden

Waar de zon niet schijnt voor iedereen
Waar het licht naar het schijnt is weggebleven
Waar de zon niet schijnt voor iedereen

En ik zet de radio aan
Het vult de stilte en mijn hoofd
Maar de mooie liedjes zijn al lang voorbij
De vreugde ver en de wanhoop nabij

De nacht valt en de dag stort in
En dit is nog maar het begin
Ik hef mijn glas en ik zing
Maar niemand die het horen wil

De wereld aan scherven geslagen
Maar morgen zal de zon toch weer dagen
Op een wereld aan scherven geslagen

Het is de schuld van de maatschappij
Het ligt voorwaar niet aan mij
Dat ik in alle dingen die ik ooit betracht
Nog veel eerder faal dan verwacht

zondag, maart 12, 2006

De Protocollen van de Wijzen van Zion – Een historische vervalsing met reële gevolgen

Een volledig verzonnen document, voor een groot deel geplagieerd uit een niet verbandhoudend werk, werd een inspiratiebron voor antisemieten over de hele wereld. ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion’ zijn wellicht de beroemdste poging om de wereld te overtuigen van een joods complot om de wereldheerschappij te verkrijgen. Will Eisner heeft een strip gemaakt over het ontstaan en het levensverhaal van deze vervalsing. Het zal gelden als het testament van Eisner, die een maand na het afwerken van de strip zou heengaan, op 3 januari 2005.

Eisner laat een groot oeuvre na. En een naam. De Eisners, de jaarlijkse stripprijzen in de Verenigde Staten, zijn naar hem genoemd. Hij begon met het tekenen van strips in de jaren ’30, en lag in de jaren ’70 aan de basis van de beeldroman of ‘Graphic novel’, een stroming die het stripverhaal wou onttrekken aan de superhelden en kindverhalen en er diepgaandere onderwerpen en verhaaltechnieken in wilde verwerken. Met ‘The Plot. The Secret Story Of The Protocols Of The Elders Of Zion’ wou Eisner het stripmedium gebruiken om de antisemitische vervalsing en haar gevolgen aan een groot publiek duidelijk te maken.

Eisner groeide op tijdens de grote depressie, de achtergrond voor veel van zijn werk, waaronder zijn meesterwerk ‘A Life Force’ (‘Levenskracht’ in het Nederlands). Het was een tijd waarin het antisemitisme welig tierde, In Duitsland, in Rusland, maar in mindere mate ook in de Verenigde Staten. De joodse Eisner was als gevolg al sinds zijn jeugd geïnteresseerd in de wijze waarop antisemieten hun haatdragende boodschap verspreidden. In deze jarenlange zoektocht kwam hij op de website van Radio Islam een volledige versie van de Protocollen van de Wijzen van Zion tegen, en begon die te lezen.

Het Heilig Broederschap
De Protocollen zijn hoogstwaarschijnlijk het werk van Mathieu Golovinski, een Russisch immigrant die in Frankrijk verbleef aan het begin van de 20e Eeuw. Golovinski was geboren in een aan lagerwal geraakte aristocratische familie in Rusland. Reeds in zijn studententijd fabriceerde hij documenten voor de politie, voor gebruik in strafzaken. Zijn talenten werden erkend door graaf Dashkov en hij sloot zich aan bij het Heilig Broederschap, Dashkovs orthodox-conservatieve en antisemitische organisatie. Deze organisatie hield zich onder meer bezig met vervalsingen van krantartikels. Ze publiceerde zelfs nagemaakte revolutionaire kranten om de communistische beweging te discrediteren.

Maar hoe goed deze organisatie ook stond bij tsaar Alexander III, zijn opvolger Nicolaas II - gevoeliger voor de internationale kritieken ten aanzien van de behandeling van de joden in Rusland - liet weten dat hij niet gediend was met de activiteiten van het Heilig Broederschap. Bovendien werd Golovinski openlijk aangevallen door Maxim Gorky, die hem als tsaristische verklikker openbaarde. Onder deze omstandigheden emigreerde Golovinski, die door zijn opvoeding vloeiend Frans kon praten, naar Parijs. In Frankrijk, diep verdeeld naar aanleiding van de Dreyfus-affaire, was het antisemitisme evenmin van de lucht.

De Ochrana
In die tijd verbleven veel antitsaristische revolutionairen in Frankrijk, en zij werden nauwlettend in de gaten gehouden door de Ochrana, de Russische geheime dienst. Golovinski zou voor de Ochrana zijn propagandawerk verderzetten. Hij werkte mee aan één van de hoofdtaken van de Ochrana in Parijs: het propageren van een positief imago van het Rusland van de tsaar. Hij trachtte Franse journalisten te beïnvloeden om gunstig over de tsaar te schrijven, en schreef bij gelegenheid zelf artikels voor grote Franse kranten, ondertekend met de naam van Franse journalisten.

Het is Peter Ratchovski, directeur van de Parijse Ochrana en eveneens een oudgediende van het Heilig Broederschap, die met het plan voor de Protocollen op de proppen kwam. Ratchovski wou, samen met de ex-minister van binnenlandse zaken Ivan Goremykine, de tsaar overtuigen van het bestaan van een judeo-maçonniek complot dat achter de liberale stroming schuilging. Ze wilden ook de invloed van rivalen, als de hervormingsgezinde eerste minister Sergei Witte, bij de tsaar verminderen. Ratchovski gaf Golovinski de opdracht om een vervalst document te maken, met slechts één enkele lezer in gedachten: de tsaar.

Hij had een ingenieus plan bedacht om dit document bij de tsaar te krijgen. Hij zou het document geven aan Sergei Nilus, een orthodox mysticus die een kans maakte om biechtvader van de tsaar te worden. Deze zou er dan voor zorgen dat de tsaar het document te lezen zou krijgen. Nilus’ invloed bij de tsaar bleek echter snel voorbij, maar deze was zo onder de indruk van het document dat hij er eerst citaten uit opnam in zijn boek ‘Het grote in het kleine’, en later de volledige tekst overnam als bijlage in de tweede uitgave van dit boek in 1905. Ondertussen waren de protocollen ook in afleveringen gepubliceerd in de Sint-Peterburgse krant Znamia.

Wereldheerschappij
Nilus verkondigde dat de Protocollen verslagen waren van het zionistisch congres in Basel van 1897, al zouden zijn verklaringen hieromtrent veelvoudig veranderen. Het document zette in een totaal van 24 protocollen het plan van joden uit om de wereldheerschappij te verkrijgen. Daarvoor moest het jodendom eerst de niet-joodse regeringen destabiliseren. De Wijzen van Zion toonden zich opvallend openhartig. Zo schreven ze over hun eigen plannen dat ze ‘beschikken over oneindige ambities, een verscheurende hebzucht en een intense haat’. Daarenboven zouden de joden economische crisissen aanwakkeren, het alcoholisme onder de lagere klassen bevorderen, verderfelijke literatuur verspreiden en uiteindelijk - na hun machtsovername - een joods despoot aanstellen.

Alle hervorminggezinde politieke stromingen – liberalisme, communisme, socialisme en vrijmetselarij – werden hierbij over één kam geschoren en voorgesteld als doelbewuste joodse complotten. Zo ook de theorieën van Marx, Darwin en Nietsche, waarvan ‘het demoraliserend effect op de heidenen ons niet mag ontgaan’. Het plan voorzag zelfs in het verschaffen van het algemeen stemrecht (indien enkel welopgeleiden kunnen stemmen, zouden de joden immers nooit de macht kunnen grijpen) en in het instellen van progressieve belastingen, ideeën die in het begin van de 20ste eeuw wellicht op de verzekerde afkeuring van de Russische aristocratie konden rekenen.

Bolsjewieken
Golovinski, de vermoedelijke auteur van de Protocollen, stapte na de Russische Revolutie over naar de Bolsjewieken, bij wie hij carrière maakte tot aan zijn dood in 1920. De identiteit van de auteur bleef echter nog lange tijd verborgen. Serge Svatikov, die namens de nieuwe sovjetmachthebbers de tsaristische geheime diensten moest ontmantelen, reisde naar Parijs en ontmoette er - bij gebrek aan de tsaristische ambassadeur die naar de Verenigde Staten was gevlucht - de Fransman Henri Bint. Deze laatste biechtte hem op dat Golovinski de auteur was van de Protocollen. Svatikov kocht de archieven van Bint over, maar liet deze in Praag achter toen hij de communisten afviel. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen ze zo weer in de handen van de sovjets terecht.

De archieven en de identiteit van de auteur van de Protocollen bleven opgeborgen tot de val van het communisme. Aangezien Golovinski een vooraanstaand bolsjewiek was geworden na de Revolutie, verkoos de Sovjet-Unie om zijn naam niet bekend te maken. Het is pas als de archieven opengesteld worden, in 1992, dat de Russische onderzoeker Mikhail Lepekhine, specialist in de Russische literatuur van de periode voor de Revolutie, op zoek ging naar de auteur van de Protocollen. Na vijf jaar onderzoekwerk wist hij vast te leggen dat Golovinski de auteur is.

Plagiaat
De verspreiding van de Protocollen bleef eerder gering tot aan de Russische Revolutie in 1917. De prominente positie van veel joden bij de bolsjewieken was voor de witte strijdkrachten een reden om de antisemitische haat terug aan te wakkeren. Ze gebruikten de Protocollen in hun anti-joodse propaganda. Ook de verspreiding van de Protocollen buiten Rusland begon te vlotten. Tegen 1920 bestonden er vertalingen in het Engels, het Frans en het Duits. The London Times drukte een artikel over het boek waarin het opriep tot een onderzoek over het waarheidsgehalte van het boek.

Een jaar later verscheen in dezelfde Times een reeks artikelen die het plagiaat in de Protocollen blootlegden. Hele stukken uit de Protocollen bleken bijna letterlijk gekopieerd te zijn uit ‘Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu’ van Maurice Joly uit 1864. Joly’s werk was niet antisemitisch, maar enkel bedoeld als een aanval op het bewind van Napoleon III in Frankrijk. Met wat aanpassingen kon het gebruikt worden als inspiratie voor de Protocollen. Joly zelf werd voor zijn anti-bonapartische standpunten verschillende keren vervolgd en opgesloten. Hij pleegde zelfmoord in 1878. (In het voorwoord tot de strip schrijft Umberto Eco dat Joly zich op zijn beurt liet inspireren door het werk van Eugene Sue, wiens invloed ook in de Protocollen terug te vinden is.)

Vervalsing
Ongeveer gelijktijdig met de artikels over plagiaat in de Times, kwamen twee getuigenissen uit die het waarheidsgehalte van de Protocollen in twijfel trokken. De eerste kwam van Alexandre du Chayla, een Franse aristocraat die zich tot het orthodoxe geloof bekeerde en zo in aanraking kwam met Sergei Nilus, de eerste uitgever van de Protocollen. Hij beschreef Nilus als een onbetrouwbare fanaticus, en was de eerste om de afkomst van de Protocollen te linken aan Ratchovski, de leider van de Parijse Ochrana.

Een andere getuigenis, van Gravin Catherine Radziwill, wees Golvinski aan als de auteur van de Protocollen. Via Ratchovski zouden deze dan in de handen van Nilus gekomen zijn. Radziwill vertelde over haar ontmoeting met Golovinski, en hoe deze pochte met het manuscript waaraan hij werkte. Maar ze beweerde dat deze ontmoeting in 1904 of 1905 plaatsvond, wat onmogelijk was aangezien de Protocollen al eerder verschenen waren. Waarom ze deze foute verklaring aflegde is niet geweten, al worden haar aanwijzingen over de auteur van de Protocollen wel bevestigd door later onderzoek.

Hitler
Al deze aanwijzingen over een vervalsing verhinderden niet dat de Protocollen steeds wijder verspreid werden, onder meer in Duitsland. Hitler besteedde aandacht aan de Protocollen in ‘Mein Kampf’: ‘Hoezeer het gehele bestaan van dit volk (de joden) op een voortdurende leugen berust, wordt op een onvergelijkbare manier in de door de joden zo hartgrondig gehate ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’ uit de doeken gedaan. Deze zouden op een vervalsing berusten, jammert telkens weer de Frankfurter Zeitung: het beste bewijs dat ze echt zijn. Wat veel joden onbewust willen doen, is hier bewust duidelijk gemaakt. Daar gaat het om.’

Vanaf 1933, jaar van hun machtsovername in Duitsland, zullen de Nazi’s de Protocollen verspreiden via hun propagandadiensten. Goebbels, minister van propaganda, noteerde in zijn dagboek in 1943: ‘Ik heb de Zionistische Protocollen grondig bestudeerd. Er is vaak gezegd dat ze niet meer bruikbaar zijn voor eigentijdse propaganda. Bij mijn lectuur stel ik echter vast dat ze zeer bruikbaar zijn. De Protocollen zijn vandaag even actueel als toen ze voor het eerst gedrukt werden. Ik heb dit vandaag aan de Führer gezegd. Hij gelooft rotsvast in de authenticiteit van de Protocollen.’

Bern
Andere nationaal-socialistische organisaties gaven ook hun versie van de Protocollen uit. Gesterkt door de onthullingen rond plagiaat en vervalsing volgden processen in verschillende landen. Er kwam een uitspraak tegen de Zuid-Afrikaanse Nationaal Socialisten waarin gesteld werd dat ‘het bestaan van een zogenaamde wereldwijde samenzwering met het doel de christelijke kerk en godsdienst in hun geheel ten gronde te richten en de beschaafde wereld joods te maken, niet was vastgesteld’.

In Zwitserland vond een proces plaats dat, inclusief beroep, 5 jaar zou aanslepen. Het proces eindigde met een zwaar verdict voor de Protocollen. ‘Belachelijke nonsens, vervaardigd in de laatste jaren van de negentiende eeuw op grond van een ander geschrift uit de jaren tachtig en minderwaardige lectuur’, zo oordeelde de rechter, waarmee hij op de vier vragen van de aanklacht positief antwoordde. In beroep werd enkel de notie van ‘minderwaardige lectuur’ geschrapt.

Henry Ford
In de Verenigde Staten bleek niemand minder dan Henry Ford, stichter van de Ford-automobiel en de lopende band, mee verantwoordelijk voor het verspreiden van de Protocollen. Hij kocht in 1920 ‘The Dearborn Independent’ op, die heel wat antisemitische artikels schreef. Ford initieerde zelf de artikelreeks ‘The International Jew’, dat ruimschoots inspiratie putte uit de Protocollen. De reeks werd later in een boek gebundeld en ruim verspreid.

Er werden verschillende processen tegen Ford aangespannen, en uiteindelijk nam Ford afstand van deze antisemitische standpunten. Of dit gemeend was blijft zeer de vraag, want ook een door joodse organisaties afgekondigde boycot van zijn producten en Fords politieke ambities – hij wou zich kandidaat stellen voor het presidentschap van de V.S. – hebben wellicht meegespeeld. In 1964 veroordeelde de Amerikaanse senaat in een rapport de Protocollen. Vandaag de dag worden de Protocollen in de V.S. vooral verspreid door een aantal pro-Palestijnse of Afro-Amerikaanse organisaties zoals de Nation of Islam van Louis Farrakhan.

Radio Islam
Maar het meest prominent circuleren de Protocollen tegenwoordig in de Arabische en islamitische wereld. Deze opmars begon in de jaren ’50, als gevolg van de oprichting van de staat Israël in 1947 en van de opvolgende Arabische nederlagen in de strijd tegen de joodse staat. Verschillende Arabische landen en zelfs de Arabische liga investeerden in het verspreiden van de Protocollen.

De belangrijkste verdeler van de Protocollen is vandaag ongetwijfeld Radio Islam, één van de meest virulente antisemitische sites die men op het internet kan vinden. Ahmed Rami, de stichter van Radio Islam, is een uit Marokko gevluchte islamist die in Zweden politiek asiel gekregen heeft. Hij biedt op zijn site de tekst van de Protocollen in maar liefst 13 verschillende talen aan. Hij onderhoudt daarnaast goede contacten met vele negationisten en extreem-rechtse figuren.

The Plot
Eisner wilt met zijn strip slagen waar de zuiver wetenschappelijke historische analyses gefaald hebben: het voor eens en voor altijd bewijzen dat de protocollen een vervalsing zijn. Hij gaat hierbij scrupuleus te werk. Hij onderbouwt zijn betoog met het meest recente onderzoek, laat voor- en nawoorden publiceren van Umberto Eco en de historicus Stephen Eric Bronner. Hij schrikt er zelfs niet voor terug om, bij het bespreken van het plagiaat van de Protocollen uit Joly’s Dialogen, de twee teksten over bijna twintig bladzijden naast elkaar te leggen.

Op andere momenten haalt het populariserende het weer van het minutieuze. Zo lijken de intriges aan het hof van de tsaar, hoewel gebaseerd op een gezaghebbend artikel over de Protocollen, een oververeenvoudiging te zijn van de realiteit. Ook vele andere personages zijn veeleer karikaturen. Men kan zich natuurlijk afvragen of dit in een populariserende strip niet onvermijdelijk is. Bovendien wou Eisner in zijn strip een hoop gegevens verwerken die op verschillende tijdstippen en plaatsen plaatsvonden, wat zijn taak er niet gemakkelijker op maakte.

Eisner
Ondanks deze bedenkingen heeft Eisner met deze strip goed werk geleverd. Hij wist een ingewikkeld onderwerp in een strip te vervatten, en dit met verstand van en respect voor de historische feiten. Of dit het einde zal zijn van de Protocollen valt te betwijfelen, maar hij zal er zeker een ruimer publiek mee bereiken dan de zuiver wetenschappelijke uitgaven. Als groot voorvechter van wetenschappelijke vulgarisatie kan ik dit alleen maar toejuichen.

De strip heeft alvast één erg symbolische overwinning behaald. Hij werd in Frankrijk uitgegeven door Grasset, dezelfde uitgever die in de jaren ’20 en ’30 verschillende uitgaven van de protocollen uitgaf. Bovenal weet Eisner met deze strip trouw te blijven aan zijn concept van Grafisch Roman, en aan de hoogstaande kwalitatieve eisen die ermee gepaard gaan. Dit genre zal ongetwijfeld de grootste verdienste van Eisner aan de stripwereld blijven. En één die kan tellen.

dinsdag, februari 07, 2006

Bauhaus - Near The Atmosphere

Een mens krijgt niet elke dag de kans om een legende aan het werk te zien. Gisteren was dat wel het geval. Bauhaus deed dan de Ancienne Belgique aan in hun intussen tweede reünietournee, de ‘Near The Atmosphere’-tour. De groep speelt nog steeds in haar oorspronkelijke bezetting, met Peter Murphy die zingt, Daniel Ash aan de Gitaar, David J. op de bas en Kevin Haskins op de drums. Ze leverden een uitstekend concert af.

Bauhaus heeft origineel amper 5 jaar bestaan, van 1978 tot 1983. Zij waren toen één van de eersten om de energie van de punk te combineren met een donker en kunstzinnige imago, en stonden zo mee aan de basis van het Gothic-genre. Vandaag proberen de leden zich zo veel mogelijk te distantiëren van de Gothic-beweging. (Zanger Peter Murphy zei in een interview met Humo uit 1998: ‘Ik ontken niet dat we er iets mee te maken hadden, maar om nu te zeggen dat we het genre uitgevonden hebben… Ik bespeur ook weinig gevoel voor ironie bij die andere groepen, iets wat wij bijvoorbeeld wél hadden.’) Toch behouden ze hun voorliefde voor theatrale optredens. Eens op het podium is iedereen netjes in het zwart gehuld en Murphy schrikt zelfs niet terug voor een streepje eyeliner. Gelukkig zijn de tijden waarin Murphy enkel gehuld in wat flarden en hopen mascara het podium opliep al lang voorbij.

Het optreden stak van wal met ‘Burning From The Inside’, de titeltrack van hun laatste studioplaat uit 1983. De zinsnede ‘Let’s be near the atmosphere’ omvatte zowat het opzet van het optreden. De groep schakelt al snel over naar het prille beginwerk met ‘In The Flat Field’, uit de gelijknamige eerste plaat, onmiddellijk gevolgd met ‘God in an Alcove’ van dezelfde plaat. ‘In the Flat Field’ verscheen in 1980, in de nadagen van de punk. Het hield er de rauwe energie van over, maar dan in een duistere, meer existentiële atmosfeer. Ook de invloeden van David Bowie, Iggy Pop en Brian Eno zijn erop terug te vinden. Bauhaus had zich toen al een stevige live-reputatie verworven en had een aantal hits gescoord in de onafhankelijke lijsten. Deze hits, zoals ‘Terror Couple Kills Colonel’ en ‘Dark Entries’, zijn gisteren uiteraard allemaal de revue gepasseerd.

Bauhaus speelt op zich een vrij voor de hand liggende set. Logisch, als je maar vier studioplaten hebt voortgebracht. De eerste echte verassing is ‘Swing the Heartache’, een psychedelisch nummer uit de derde en erg geslaagde plaat ‘The Sky’s Gone Out’. Deze plaat betekende een evolutie ten aanzien van hun eerste platen. Er werden meer akoestische instrumenten op gebruikt en veelvoudig gelaagde arrangementen. Dit is wellicht één van de redenen waarom er minder uit dit later werk geput werd. Bauhaus hield het gisteren op gitaar, bas, drum en zang, en had de volumeknop volledig opengedraaid. (In die mate zelfs dat menigeen zich beklaagde geen oordopjes meegenomen te hebben.)

Ook uit de tweede plaat ‘Mask’ werd heel wat gespeeld. ‘Mask’ was het logisch gevolg op de debuutplaat, maar iets doordachter en gebalder. ‘In Fear of Fear’ werd als eerste gespeeld. Daniel Ash haalde voor de gelegenheid zijn saxofoon boven. Ook ‘Dancing’ en ‘Kick in the Eye’ konden niet ontbereken. Het obligate ‘She's In Parties’ mocht een rijtje indrukwekkende hits openen, gevolgd door ‘The Passion of Lovers’ en het magnifieke ‘Silent Hedges’. ‘She's In Parties’ zou samen met het openingslied het enige zijn dat Bauhaus uit hun laatste studio-lp ‘Burning From the Inside’ speelden. Net voor de opnames van die plaat, in 1983, was Peter Murphy ernstig ziek geworden. Hij liet de andere groepsleden bijgevolg heel wat van de plaat afwerken. Twee nummers werden zelfs door de andere groepsleden gezongen (respectievelijk ‘Who Killed Mister Moonlight’ door David J. en ‘Slide of Life’ door Daniel Ash). De plaat luidde duidelijk het einde van de groep in. Amper een maand nadat de plaat uitkwam, kondigden de leden aan dat ze uit elkaar gingen.

Na de split concentreerden de leden van Bauhaus zich op nieuwe projecten. Daniel Ash had reeds Tones On Tail opgericht met een roadie, en al snel zal ook drummer Kevin Haskins zich bij de groep voegen. Als ook bassist David J. de groep aanvult, vormen de drie ex-Bauhausers Love and Rockets, waarmee ze vooral in de Verenigde Staten furore weten te maken. In 1989 scoren ze een hit met ‘So Alive’. Voor Peter Murphy valt het nieuwe begin wat tegen. Hij richt Dali’s Car op met Japan-bassist Mick Karn, maar dat wordt een flop. Daarna begint hij aan een solocarrière, die in 1990 zijn vruchten afwerpt met ‘Deep’ en de hit ‘Cuts You Up’. Hij maakt daarna nog verschillende aardige platen, maar in 2002 weet hij werkelijk muzikale grenzen te verleggen. Dan brengt hij ‘Dust’ uit, een meesterwerk waarin hij atmosferische, eclectische electronica vermengt met Turkse en islamitische invloeden. Murphy heeft zich intussen bekeerd tot de soefi-islam en is in Turkije gaan wonen. De plaat wordt geproducet door de befaamde Turks-Canadese wereldmuzikant Mercan Dede.

Terug naar het optreden. Een rustiger moment werd ingebouwd met ‘Hollow Hills’, waarop Daniel Ash zijn gitaar met een drumstick als strijkstok bespeelt. Dan halen de decibels het weer met ‘Stigmata Martyr’, ‘Hair of the Dog’ en uiteindelijk ‘Dark Entries’. De groep verlaat het podium, maar komt al snel terug voor meer. Op het ingetogen ‘All We Ever Wanted Was Everything’ speelt Murphy zelf akoestische gitaar. Dan komen de covers. Eerst ‘Severance’, een Dead Can Dance-nummer dat Bauhaus had bovengehaald tijdens hun Resurrection Tour in 1998. Toen besloten de leden na jarenlang aandringen terug samen te komen voor een viertal exclusieve concerten in Los Angeles. Het succes van deze optredens was zodanig groot dat ze er meteen een wereldwijde tournee aan koppelden. Daarbij deden ze ook de Brielpoort in Deinze aan. De reünie werd overal lovend onthaald. Hier en daar verkondigde zelfs iemand dat de nieuwe Bauhaus beter was dan de oorspronkelijke.

De Bauhaus-leden windden er toen geen doekjes rond dat de reünie bijzonder lucratief was. Ze leverden de toeschouwers waar voor hun geld. Naast een muzikaal perfecte vertolking van hun nummers hielden ze toen ook visueel een erg sterke show. Het is betreurenswaardig dat ze ditmaal de visuele trukendoos thuis gelaten hebben. Wellicht zal niemand van de aanwezigen in Deinze vergeten hoe Murphy tijdens het openingsnummer ‘Double Dare’ op een televisiescherm in het midden van het podium verscheen en het publiek met dreigende stem aanmaande: ‘I dare you, to be real…’ Niet dat ze er dit keer niets van bakten. De vier hadden duidelijk wat aandacht aan hun uiterlijk besteed en zagen er opvallend fit uit. Enkel Murphy bleek al wat haren verloren te hebben. Maar hij verstaat nog steeds de kunst om dodelijk kil het publiek in te staren en holt en springt als een prille twintiger.

Na ‘Severance’ kwam de Joy Division-cover ‘Transmission’. Een beetje een voor de hand liggende keuze voor een New Wave-groep, misschien zelfs te voor de hand liggend voor Bauhaus. De tweede bisronde bestond ook uit covers, maar deze keer uit nummers die al lang tot het Bauhausrepertoire horen. Eerst ‘Telegram Sam’ van T-Rex, en daarna een sublieme versie van ‘Ziggy Stardust’ van David Bowie. Uiteindelijk komt de groep nog een derde maal terug. Ze eindigen met het nummer waar ze ooit mee begonnen in 1978, een ellenlange versie van ‘Bela Lugosi’s Dead’. Murphy heeft voor de gelegenheid zijn lange zwarte jas uit de kast gehaald en hij doet zijn vampierenact, wijd gesticulerend met de uiteinden van de jas in zijn handen. Daarna verlaat Bauhaus definitief het podium en ploppen de lichten aan, kwestie van het vampierenvolk snel terug buiten te krijgen. Dit optreden was veel meer dan zuivere nostalgie. Het gaat hier om een groep die haar oeuvre met grote klasse en muzikale perfectie speelt. Het zijn geen dinosaurussen, maar vakmensen die nog steeds verdienen om invloedrijk genoemd te worden.

donderdag, januari 05, 2006

Gabba gabba hey

Waarde vrienden en vijanden van het Postnihilisme,

Op woensdag 11 januari zal ik waarschijnlijk wat liedjes performeren op de ‘open mic’-avond van Het Depot, gesitueerd aan het martelarenplein te Leuven. Het betreft hier een evenement waarbij het podium opengesteld wordt voor eenieder die iets wilt spelen. Er worden geen voorafgaande afspraken gemaakt, dus ik kan er weinig meer over zeggen tenzij dat ik graag in de vroege avond zou spelen en maar twee of drie nummers zal brengen. (Het zal niet lang duren, bijgevolg moeten het wel mooie liedjes zijn.) Gezien de korte duur – maximaal 10 minuten - zal ik zeker niemand aanraden om een lange reis te ondernemen om dit bij te wonen, maar wie die avond toevallig in de buurt is mag altijd even binnenspringen. De inkom is geheel gratis en voor niets.

Op diezelfde avond zal een bevriend muzikant genaamd Ice King eveneens het podium betreden. Ice King en mezelve hadden in het verleden ooit een afspraak getroffen om samen op te treden, maar door allerhande reële en denkbeeldige problemen is dat er tot nu toe niet van gekomen. Ice King draagt een Lemmy-snor, een schotse kilt en een gitaar bekleed met authentieke hooglander-rundervacht. Ice King is dan ook een keltische metal-bard die zijn inspiratie haalt uit obscure poësie, middeleeuwse veldslagen en uiteraard uit alles wat Schots is. U vindt zijn webstek onder www.icekingmusic.tk.

Voor wie van recepties houdt, vermeld ik ook dat op maandag 23 januari een nieuwjaarsreceptie voor leidinggevende ambtenaren zal plaatsvinden te Brussel. Het exacte uur en de locatie zijn me onbekend, maar ik weet wel dat deze gelegenheid opgeluisterd zal worden door een optreden van het Vlaamse ambtenarenkoor, waar ik als tenor deel van uitmaak. Wij zingen dan ‘tears in heaven’ van Eric Clapton en wat liedjes van Andrew Lloyd Webber. Op woensdag 11 januari zal ik me echter houden aan mijn klassieke repertoire van Vlaamse levensliederen.

Tenslotte wens ik u nog veel geluk en vreugde in het onlangs aangevangen nieuwe jaar,

Xheviour Mashink


Vrij zinnig lied

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, onze groet.

Overeenkomstig de haar toevertrouwde machten heeft het secretariaat-generaal van de algemene volksvergadering volgende artikelen tot volkswil uitgeroepen, door alle instellingen en individuen na te leven en dit met middelpuntvliedende, vooruitstrevende en terugwerkende krachten.

1)
De zon gaat onder
Hij ziet er stralend uit
Ik zet me neer en kijk ernaar
En staar wat voor me uit

2)
Toch zo bijzonder
Dat ik net hier kan zijn
Alle kronkels en gedachten
Blijven even stil

3)
Zolang het licht nog schijnen zal
Zolang ik rustig door kan dromen
Zolang de wereld verder nog zijn rondjes draait
Zolang blijf ik nog even stil

4)
Ik wou dat ik je zeggen kon
Dat er geen vrees meer hoeft te zijn
Dat alle angsten zijn bedaard

5)
Dat we geen deel zijn van een spel
Dat we ons lot zelf wel bepalen
Dat we ons niet hoeven te schikken naar de rest
Dat we vrij en zinnig zijn

6)
De zon gaat onder
Hij ziet er stralend uit
Als je nog even tijd kan maken
Leg ik het voor je uit

7)
Vooraleer ik het vergeet
Voor we allemaal vergaan
Voor de nacht voor eeuwig op de mensheid valt
Vooraleer het is gedaan

8)
Voor de sterren uit de hoogte
Van de hemel vallen
Wil ik jou nog even kwijt

9)
Dat we ons best hebben gedaan
Dat we ons niet hoeven te schamen
Dat er met ons nog wel iets aan te vangen valt
Dat we het nog niet hebben verknald

donderdag, september 22, 2005

Fitna. Oorlog in het hart van de islam – een leerrijk boek van Gilles Kepel

Al Qu’aida is de strijd aan het verliezen. Met deze stelling kon de Franse islamdeskundige Gilles Kepel niet onopgemerkt voorbij gaan. De strijd die Al Qu’aida aan het verliezen is, is niet de door Bush uitgeroepen ‘war on terror’ maar de fitna, de inwendige strijd binnen de islamitische gemeenschap of Oumma. Toen Ben Laden en de zijnen de aanval op de V.S. planden, hadden ze zich tot doel gesteld om de steun van de Oumma te verwerven in hun strijd tegen de Nabije Vijand, met name de corrupte leiders in het Midden Oosten. De strijd tegen deze Nabije Vijand was al lang aan de gang maar had weinig successen geboekt. Daarom trachtte Al Qu'aida door een spectaculaire aanval op de Verre Vijand – de Verenigde Staten en het westen in het algemeen – de bevolking te overtuigen van de nood aan hun jihad. Vier jaar na 11 september wordt deze jihad door de meerderheid van de Oumma niet als iets productief beschouwd. Militair gezien zitten de jihadisten overal in het defensief. Hun enige bolwerk - Afghanistan - zijn ze verloren, en ook in Irak zitten ondertussen V.S. soldaten. Voeg daaraan toe dat moslims met een toegenomen vijandigheid opgeschept zitten en dat de bloedige aanslagen ook veel moslimslachtoffers geëist hebben, en je begrijpt dat het enthousiasme bij de moslims snel wegkwijnt.

Gilles Kepel doceert over de Arabische en islamitische wereld aan het befaamde Institut des Sciences Politiques in Parijs. Hij studeerde Arabisch, filosofie en Engels, en doctoreerde in de sociologie en in de politieke wetenschappen. Hij is de auteur van verschillende boeken over de politieke islam, te beginnen met de invloeden van de politieke islam in de Franse buitensteden, tot en met die van de jihadisten in de internationale situatie. Zijn boek ‘Fitna. Guerre au coeur de l’islam’ verscheen in 2004 en werd vrij snel een succes, ook in zijn Engelse vertaling. Kepel verkoopt zijn boek als een essay, maar weet vooral door zijn enorme feitenkennis indruk te maken. Waar hij standpunten inneemt, zijn die meestal zo goed onderbouwd dat er weinig tegen in te brengen valt. Het boek is helder gestructureerd met welomlijnde hoofdstukken over onderwerpen als het oslo-vredesproces, de neoconservatieven, de strijd van en tegen Al Qu’aida, het wahhabisme, de situatie in Irak en tenslotte de Europese islam.

Het Failliet van Oslo
Na de Tweede Wereldoorlog verloren de Europese grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië in het Midden-Oosten aan belang ten aanzien van de opkomende wereldmacht, de Verenigde Staten. In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikaanse president Roosevelt en de Saoedische koning Abd al-Aziz Ibn Saoud het akkoord van Quincy ondertekend, genoemd naar het Amerikaanse oorlogschip waarop het akkoord getekend werd. In ruil voor militaire bescherming zou Saoedi-Arabië de V.S. voorzien van olie. De Tweede Wereldoorlog had het belang van olie aangetoond voor het militaire apparaat, en met de Koude Oorlog zou dit belang nog toenemen. Hier ligt de basis van de V.S.-politiek in de regio. In 1967, tijdens de oorlog van Israël met de Arabische landen, nemen de V.S. de rol van verdediger van Israël over van de Britten en de Fransen, uiteraard tot frustratie van de Arabische olieproducenten. Sindsdien wordt de V.S.-politiek bepaald door de tegengestelde belangen van de olietoevoer en de veiligheid van Israël, waarbij de balans de ene keer naar het eerste overhelt, en de andere keer naar het tweede.

In 1973 barst een nieuwe oorlog uit tussen Israël en zijn Arabische buren. De steun van het westen aan Israël wordt beantwoord met een olie-embargo van de OPEC. De prijs van olie vliegt de hoogte in en Israël moet onder druk van het westen zijn tegenoffensief staken. De V.S. zullen dan hun gewicht in de schaal gooien om tot het vredesverdrag van Camp David van 1979 te komen. Door vrede te sluiten met Egypte en door de bezetting van de Syrische Golan-hoogte, wordt een grootschalig offensief tegen Israël van dan af onmogelijk. Ongeveer gelijktijdig wordt de westersgezinde Sjah omvergeworpen in Iran. Het islamitisch regime introduceert het gebruik van zelfmoordcommando’s en gijzeling als politiek wapen, iets wat voordien eerder zeldzaam was. Deze strategie zal later overgenomen worden door de Palestijnen. In 1991, na de aanval van Saddam Hussein tegen Koeweit en de internationale reactie daartegen, probeert George Bush sr. de patstelling in de regio te doorbreken door een onderhandelde oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict door te duwen. Beide partijen zijn sinds het uitbreken van de intifada in 1987 ernstig verzwakt en kunnen bijna niet anders dan deelnemen aan het initiatief. Na een reeks geheime onderhandelingen in Oslo en de conferentie van Madrid, worden in 1993 de Oslo-akkoorden met een historische handdruk bezegeld in Camp David.

Maar tegen 2000 is van het enthousiasme van Oslo niet veel meer te merken. Beide partijen denken dat ze meer te winnen hebben door zich buiten het Oslo-proces te begeven. Zo begint Arafat na een bezoek van Sharon aan de Tempelberg de Tweede Intifada, waarvan de aanslagen aanvankelijk geregisseerd worden vanuit het hoofdkwartier van de Palestijnse Autoriteit, maar al snel overgenomen worden door radicalere groepen als Hamas en de Islamitische Jihad. Ook internationaal is de steun voor Oslo verminderd. De Arabische landen hadden gehoopt door hun steun aan de Oslo-akkoorden economisch vooruit te gaan, maar door het wederzijds wantrouwen met Israël is daar geen sprake van geweest. In de V.S. wint een nieuwe politieke stroming aan belang, de neoconservatieven, die het gehele Midden-Oosten willen hertekenen, te beginnen met het omtoveren van Irak tot een democratisch en pro-amerikaans land dat ook Israël zou kunnen erkennen. Oslo is begraven en het geweld neemt van alle kanten toe.

De neoconservatieve revolutie
Toen Bush in 2000 aan de macht kwam had hij net campagne gevoerd tegen ‘nationbuilding’. Zijn programma op internationaal vlak was ingegeven door voorzichtigheid en pragmatisme. Hij ging zich zeker niet - zoals zijn voorganger Clinton aan het einde van zijn termijn - verbranden aan het Israëlisch-Palestijns conflict. Maar binnen zijn regering bestond nog een andere stroming: de neoconservatieven, waarvan Paul Wolfowitz de belangrijkste vertegenwoordiger was. Deze wilden een radicale transformatie van de wereldorde bewerkstelligen - naar universele democratie - en hiervoor desnoods unilaterale militaire middelen inzetten. Hoewel ze enige invloed hadden, bleven de neocons lang een intellectuele minderheid. Maar als de aanslagen van 11 september de V.S. met verstomming slagen, winnen hun ideeën aanhang en beïnvloeden ze rechtstreeks het antwoord op die aanslagen.

De term ‘neoconservatieven’ werd voor het eerst gebruikt in Dissent Magazine om de voormalige linkse kameraden te brandmerken die de zaak hadden opgegeven. De eerste neoconservatieven waren immers afkomstig uit de New Left: revolutionair-links van inspiratie, maar kritisch ten aanzien van de Sovjetunie. Zij zullen later de scheldnaam ‘neocon’ overnemen en als vaandel gebruiken voor hun beweging. Irving Kristol, een voormalig trotskist en één van de eerste neocons, beweerde dat neoconservatieven progressievellingen zijn die zich hebben laten leiden door de werkelijkheid. De neocons lieten zich in eerste instantie opmerken door hun gedreven anti-communisme. Zij hielden niet van de ‘appeasement’-politiek van Nixon en Kissinger, en verkozen het ideologisch conflict met het communisme en de compromisloze steun aan dissidenten uit het oostblok. Zo kwamen ze er uiteindelijk toe om de Viëtnam-oorlog te steunen, en later ook de jihad tegen de Sovjets in Afghanistan.

Een andere inspiratie van de neoconservatieven kwam uit de academische hoek. Albert Wohlstetter - een militair strateeg en voormalig trotskist - werd in 1953 door Eisenhower opgenomen in het Solarium-project, een project dat scenario’s moest schrijven voor een langetermijnoverwinning in de Koude Oorlog. Hij pleitte ervoor om bij een militair conflict gebruik te maken van overweldigende militaire macht, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de V.S. ondubbelzinnig aan de kant van de democratie zou staan. Dit laatste betekende dat de V.S. geen steun zou geven aan ondemocratische bewegingen, maar ook gebruik zou maken van intelligente wapens die de vijand zouden treffen terwijl de burgerbevolking gespaard bleef. De V.S. hadden zich volgens Wohlstetter aan deze beginselen moeten houden in Viëtnam. De aanvallen op Afghanistan en Irak worden wel eens beschouwd als de postume toepassing van de ideeën van Wohlstetter.

Een tweede academicus die vaak in verband wordt gebracht met de neoconservatieven is Leo Strauss, een Duitse jood die vluchtte uit de Weimar-republiek bij de opkomst van fascisme en communisme. Hij ging zich in zijn afkeer van het totalitarisme verdiepen in de oude Griekse filosofen, Plato in het bijzonder. Volgens hem kon de democratie zich geen zwakheid veroorloven. Hij hernam Plato’s concept van de filosoof-prins, een elitaire leider die het onderscheid tussen Goed en Kwaad beter kon maken dan de gewone bevolking. Deze leider mocht volgens Strauss ook liegen tegen de bevolking als hij daar de nood toe voelde, een standpunt dat heel wat inkt heeft doen vloeien in het debat over de rechtvaardiging van de Irak-oorlog. Toch zijn de ideeën van Strauss ook voor de neoconservatieven controversieel, met kopstukken als Richard Perle en David frum die zich er duidelijk van distantiëren. (Perle zou zich in een interview kwaad maken bij de suggestie dat hij een verborgen agenda had, replicerend dat zijn agenda volledig open was en dat hij zijn dagen vulde met het geven van interviews en het schrijven van artikels om zijn agenda te verduidelijken.) Wolfowitz, eveneens afkomstig uit een joods gezin dat in de jaren ’30 uit Europa vluchtte omwille van de totalitaire dreiging, wordt wel tot Strauss’ discipelen gerekend.

Na de val van de muur voelen de neoconservatieven zich in hun overtuigingen gesterkt. Ze vinden dat de V.S. nu als enige overgebleven supermacht op een offensieve manier de democratie moeten verdedigen. Net zoals de arbeidersklasse bij de marxisten, zitten de V.S. volgens hen in een positie waarin hun eigenbelang en het belang van de wereld samenvallen. Ze bekritiseren het Oslo-proces omdat het economische welvaart probeert te brengen in het Midden-Oosten zonder er democratie te brengen. De neoconservatieven geloven niet in de ‘exception culturelle’. De democratie kan voor hen even goed in het Midden-Oosten wortel schieten als in Oost-Europa of Azië. Irak is daarbij een ideaal beginpunt omdat er veel democraten zijn, en de omverwerping van de tirannie met moderne militaire middelen de burgerbevolking zal sparen. De aanslagen van 11 september zullen de mogelijkheid bieden om dit plan in praktijk te brengen. Hun plan tot hertekening van het Midden-Oosten verraad soms hun linkse achtergrond, en weet zelfs een aantal Arabische intellectuelen te bekoren. Toch is hun sympathie voor Israël - en de banden met de Likud-partij van Sharon – een obstakel om veel Arabieren voor hun plan te enthousiasmeren.

De verre vijand treffen
De aanslagen van 11 september waren voor Al Qu’aida de vrucht van een intense reflectie over de wereldverhoudingen en de macht van de Verenigde Staten. Oussama Ben Laden en Ayman al Zawahiri hadden in de jaren ’80 - tijdens hun jihad in Afghanistan - de kiemen gelegd voor het planetair terrorisme. Gedurende de jaren van exil - van 1992 tot 1996 - voerden ze de eerste experimenten, om na de machtsgreep van de Taliban naar Afghanistan terug te keren en de definitieve theoretisering en toepassing van hun nieuwe strategie te voltrekken. Afghanistan was de ideale broeikas voor het internationaal terrorisme, omdat er militanten uit de hele wereld samen streden tegen het communisme. Na het mislukken van de jihad in Egypte, Algerije en Bosnië, besloten de jihadis om de strijd tegen de ‘Nabije Vijand’, de machthebbers uit de regio, in te ruilen voor de strijd tegen de ‘Verre Vijand’: de Verenigde Staten, Israël en het westen in het algemeen. Door hun internationalisering en hun mediatieke acties hoopten ze de volksteun te verwerven die ze tot nu toe ontbeerden voor de omverwerping van de lokale regimes.

Zawahiri is de telg van een rijk en intellectueel gezin in Egypte. Bij zijn geboorte in 1951 zit Egypte in een periode van politiek geweld en chaos die een jaar later zal uitmonden in de staatsgreep van Nasser. Onder diens bewind wordt de elite aanzienlijk armer en wordt hard opgetreden tegen de fundamentalisten van het Moslim Broederschap. Na de terechtstelling van Sayyid Qotb - oprichter en ideoloog van het Moslim Broederschap - in 1966, richt Zawahiri een clandestiene islamitische beweging op. Ook tijdens het bewind van Sadat, die een bondgenootschap sluit met moslimextremisten in de strijd tegen linkse militanten, blijft Zawahiri de gewapende strijd promoten. Hij is op de hoogte van de planning van een aanslag op Sadat in 1981, maar is het om strategische redenen niet eens met die aanslag. De aanslag tegen Sadat lukt en zijn opvolger Moebarak zal bikkelhard optreden tegen de islamisten. Ook Zawahiri belandt in de gevangenis. Omdat hij het Engels enigszins machtig is, wordt hij tijdens het proces met de taak belast om de martelingen die de gevangenen ondergaan aan te klagen voor de internationale pers. Hij komt in 1984 vrij en verlaat Egypte (volgens sommigen omdat hij onder de marteling informatie vrijgegeven zou hebben). Hij komt tot de overtuiging dat de lokale gewapende strijd nergens toe leidt en ontwikkelt zo het idee om de Verre Vijand te treffen. Na een tussenstop in Saoedi-Arabië reist hij in 1986 naar Afghanistan waar hij Ben Laden ontmoet.

Ben Laden zelf was op aanmoediging van het Saoedische regime naar Afghanistan afgereisd. De Saoedis dachten immers dat het lonend zou zijn om de Afghaanse jihad te steunen, om zo de steeds kritischere islamisten in eigen land te counteren. In Afghanistan zouden er al snel meningsverschillen ontstaan tussen de jihadis onderling. Zawahiri veroordeelde er het Moslim Broederschap omdat ze het democratische spel meespelen – terwijl in zijn ogen enkel de wet van God zou mogen gelden – en omdat ze volgens hem persoonlijke welvaart verkiezen boven het juiste islamitische pad. Hij ontwikkelde een eschatologische visie van de jihad waarin na de overwinning op de Sovjets ook de Amerikanen aan de beurt zouden zijn. Deze stroming was aanvankelijk een minderheid bij de jihadis, maar won aan belang nadat Sovjets en Amerikanen zich uit Afghanistan terugtrokken. Als in 1991 V.S.-soldaten in Saoedi-Arabië gelegerd werden – in strijd met de woorden van de profeet, die op zijn sterfbed gezegd zou hebben dat alle niet-moslims uit het Arabische schiereiland verdreven moesten worden – raakt Ben Laden in onmin met het Saoedische regime en worden het Saoedisch koningshuis en de V.S. zijn belangrijkste vijanden.

De jihadis blijven na hun overwinning rellen veroorzaken in Afghanistan, en al snel zijn de buitenlandse strijders er niet meer gewenst. Zawahiri en Ben Laden vertrekken naar Soedan, van waaruit ze een internationaal netwerk uitbouwen met vertakkingen in Londen en Yemen, en actief bijdragen aan de jihad in Egypte, Algerije, Bosnië en Somalië. Na een mislukte aanslag op Moebarak in Egypte neemt de internationale druk tegen de terroristische activiteiten vanuit Soedan toe en in 1996 worden Ben Laden en Zawahiri uitgewezen naar Afghanistan, waar de Taliban ondertussen de macht hebben overgenomen. Dit is het ogenblik waarop Al Qu’aida definitief het roer omgooit. De lokale jihad heeft zowat overal gefaald, op de notoire uitzonderingen Afghanistan en Tchetchenië na. Ben Laden roept in dit jaar de jihad tegen de V.S. uit, omwille van de bezetting van de twee heilige plaatsen. In 1998 richt hij mee het Islamitisch Internationaal Front Tegen Joden en Kruisvaarders op, dat oproept tot het vermoorden van Joden en Amerikanen over de hele wereld. Er volgen spectaculaire aanslagen op de Amerikaanse ambassades van Dar-el-Salaam en Nairobi en op de USS Cole. Deze aanslagen leveren niet de verwachte volkssteun, maar trekken desalniettemin voldoende kandidaat-martelaren aan.

Al Qu’aida: opgejaagd maar weerbarstig
Dan komt de ultieme toepassing van de nieuwe koers van Al Qu’aida: de aanslagen van 11 september 2001. Door maandenlang de aanslagen niet op te eisen, weten Ben Laden en zijn organisatie maximaal twijfel te zaaien en sympathie te wekken. De V.S., die niet goed weten hoe ze moeten reageren, gaan inspiratie zoeken bij de neoconservatieven die het terrorisme linken aan de schurkenstaten. Zo ontstaat de strategie die in een eerste fase het Taliban-regime in Afghanistan omverwerpt, dan de druk opvoert op Saoedi-Arabië om het terrorisme op eigen bodem aan te pakken, en uiteindelijk de verandering van het regime in schurkenstaat Irak beoogt. Op termijn moet dit ook leiden tot een hertekening van het Midden-Oosten, op een manier die de belangen van de V.S. (olietoevoer en de veiligheid van Israël) verzoent met het verspreiden van de democratie in de regio.

Al Qu’aida gaat ondanks de nederlagen door met het plegen van aanslagen, en weet zich ook te herorganiseren. In haar communiqués stelt ze eigen variant van de ‘Clash of Civilisations’ voor. Zawahari stelt een tekst op – ‘trouw en breuk’ getiteld, naar een courante zegswijze in het Arabisch - waarin hij beklemtoont dat de periodes waarin de islam erop achteruit gaat die periodes zijn waarin ze zich vermengt met niet-islamitische invloeden. Met verwijzingen naar de heroveringen van Andalusië en Bagdad in de 12e en 13e eeuw probeert hij het falen van nationalistische, socialistische en seculiere regeringen in de islamitische wereld te verklaren door hun openheid voor westerse denkbeelden. De islam moet zich volgens hem weer in zichzelf keren om dissolutie of verandering te voorkomen. Bovendien zijn buiten de christenen en de joden ook moslims die zich aan de ongelovigen linken in zijn ogen legitieme doelwitten. Op die manier wordt het doden van moslims bij aanslagen goedgepraat.

Naarmate de aanslagen van de jihadis zich meer in de islamitische wereld voordoen, vermindert de steun voor hun strijd. Het hoge aantal moslimslachtoffers van aanslagen in Turkije, Marokko en Saoedi-Arabië, aangevuld met de wereldweide stigmatisering van de islam, maken dat steeds meer moslims zich afkeren van Al Qu’aida. De resultaten van de strijd tegen de terreur mogen totnogtoe niet briljant zijn voor de V.S.: vooraanstaande Al Qu’aida leiders loopt nog steeds vrij rond, in Afghanistan is weliswaar een bolwerk gebroken, maar de nieuwe regering controleert er amper het land, en in Irak is de chaos compleet. Het bilan voor Al Qu’aida is nog bedroevender. Ze hebben in geen enkel land de macht veroverd, zijn hun enige islamitische staat verloren, hoeven niet meer op steun te rekenen vanuit Soedan terwijl ook Libië zich van het internationale terrorisme afkeert, Palestina zinkt weg in een spiraal van geweld, en de strijd tegen de terreur diende als legitimatie voor het veroveren van Irak. Maar bovenal slagen ze er niet in om grote massa’s jongeren, intellectuelen en middenklassers te mobiliseren voor hun strijd, nochtans het uitgesproken doel van hun aanval op de ‘Verre Vijand’.

Arabië in het oog van de storm
Het vierde hoofdstuk besteedt Kepel aan Saoedi-Arabië, het land dat door zijn geschiedenis de geboorte heeft gekend van het wahhabisme, een extreem conservatieve vorm van islam die een inspiratiebron is van jihadis over de hele wereld. Saoedi-Arabië is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog verbonden aan de V.S., waarbij deze laatsten in ruil voor een verzekerde olietoevoer de militaire bescherming van het koninkrijk verzekeren. Slechts eenmaal - toen de V.S. in de oorlog tussen Israël en de Arabische landen van 1973 een luchtbrug instelden om wapens te leveren aan Israël – heeft dat akkoord op het punt gestaan om te breken. Later zullen beiden elkaar terug vinden in de gemeenschappelijke strijd tegen het communisme, onder meer in Afghanistan. Terwijl in Europa de eerste aanslagen gepleegd worden door fundamentalisten, denken de V.S. dat ze veilig zijn. Ze ontvangen vele moslimvluchtelingen, staan toe dat er in de V.S. gerekruteerd wordt voor de jihad in Afghanistan, alsook dat vanuit de V.S. de eerste fundamentalistische websites opgericht worden.

Het wahhabisme werd genoemd naar Muhammad Ibn Abd Al Wahhab, al noemen zijn volgelingen zich liever salafisten, naar de vroege metgezellen van de profeet. Al Wahhab was een rigoureus religieus reformateur die zijn inspiratie haalde bij middeleeuwse rechters en oelema's. In het midden van de 18e eeuw sloot hij een verbond met Muhammad Ibn Saoed, een lokale tribale leider. In een context van eeuwige stammenoorlog dienden de ideeën van Al Wahhab als theoretische onderbouw voor een jihad die al snel de hele oostkust van het Arabische schiereiland wist te veroveren, inclusief de heilige plaatsen Mekka en Medina. In 1811 zullen de Ottomanen die heilige plaatsen heroveren als reactie op het rigorisme en het geweld die de jaarlijkse bedevaart verstoren. In 1902 begint Abd Al-Aziz Ibn Saoed vanuit Koeweit opnieuw aan de jihad om het verloren gebied te heroveren, en sluit hiervoor opnieuw een alliantie met de wahhabieten. De familie Saoed zal zich echter snel keren tegen overijverige wahhabieten - zoals de Ikhouan-militie - die zich tegen de aanwezigheid van de Britten in de regio verzetten. Na de oprichting van het koninkrijk Saoedi-Arabië in 1932 wordt de jihad in het land verboden, aangezien het een voorbeeldige islamitische staat geworden is waarin de sharia strikt toegepast wordt. Toch blijft de jihad er onderwezen en zal het koninkrijk nadien blijvend schipperen tussen de steun aan het wahhabisme en het tegengaan van interpretaties die haar eigen gezag kunnen ondermijnen.

Als na het olie-embargo van 1973 de prijs van olie de hoogte inschiet worden de Saoedi’s op korte tijd stinkend rijk. Ze investeren massaal in nieuwe infrastructuur en westerse technologie. Maar de modernisering stuit tegen verzet van religieuze conservatieven. In 1979 nemen honderden wahhabieten het heiligdom van Mekka in, met de aanwezige bedevaarders als gijzelaars. Aanleiding is de aanwezigheid van buitenlandse ‘ongelovigen’ die in de olie-industrie werken. De opstand wordt met de hulp van Franse gendarmes onderdrukt. Het tot dan toe strikt lokale wahhabisme – een product van de stammentwisten en de opbouw van Saoedi-Arabië – krijgt een meer internationale component, een gevolg van de inwijking van Moslim Broeders. Die zijn uit Egypte gevlucht voor de repressie na de moord op Nasser. Later zullen zich nog Moslim Broeders uit Syrië en Irak bij hen voegen, op de vlucht voor de respectievelijke Baath-regimes in die landen. De Moslim Broeders krijgen een verbod op proselitisme in Saoedi-Arabië, maar met hun internationale connecties en hun intellectuele bagage weten ze zich nuttig te maken om de internationale doorbraak van Saoedi-Arabië te begeleiden. Tegenover de interne contestatie zal Saoedi-Arabië een dubbel beleid voeren. Het voert een repressie tegen radicalen die het bewind bedreigen, maar steunt tegelijkertijd de jihad in Afghanistan (overigens een goede manier om van de radicalen af te zijn) en de sahwa, het islamitisch reveil dat voor het eerst een duidelijke invloed van het Moslim Broederschap verraadt.

Als Saddam Hoessein in 1990 Koeweit binnenvalt en zijn troepen langs de grens van de olierijke oostkust samentroept, moet koning Fahd de hulp van het Amerikaanse leger inroepen. De ideologen van de sahwa vallen de koning publiekelijk af. Ben Laden krijgt zelfs een audiëntie bij de minister van defensie, waarin hij voorstelt om jihadstrijders uit het intussen van de Sovjets bevrijdde Afghanistan langs de grens te plaatsen en van daaruit de ‘afvallige’ Saddam Hussein omver te werpen. De koning weet de islamitische krachten echter tot een goedkeuring van de plaatsing van de Amerikaanse troepen en van de oorlog tegen Irak te bewegen, al moet hij hiervoor heel wat toegevingen doen. Ben Laden verlaat het land en zal verder radicaliseren met de bekende gevolgen. Als koning Fahd uit ouderdom niet meer in staat is om het land te regeren, neemt kroonprins Abdallah de leiding over. Hij heeft hervormingsplannen om de verschillende groepen in de samenleving – zowel de sawha-militanten als de progressieve moslims en de liberalen – meer te laten deelnemen aan het maatschappelijk debat in Saoedi-Arabië.

Na de aanslagen van 11 september 2001 wordt de rol van de Saoedis in vraag gesteld. 15 van de 19 kapers waren immers Saoedis. De kroonprins voert dan in eerste instantie een politiek van ‘containment’ ten aanzien van de islamisten, maar zal al snel harder moeten optreden. In 2003 organiseert kroonprins Abdallah de Conferentie van Nationale Dialoog, die de verschillende strekkingen in de samenleving rond de tafel wilt krijgen. Voor het eerst in de geschiedenis van het land worden ook andere religieuze stromingen dan het wahhabisme – onder meer de sjiieten – erkend en uitgenodigd. Abdallah wilt hiermee een vernieuwd nationalisme en een rustige revolutie tot stand brengen die hem moeten toelaten om het land te moderniseren. Volgens Kepel moeten deze hervormingen onvermijdelijk tot meer politieke openheid leiden.

De Iraakse doos van pandora
Over een onderwerp als Irak denken we al snel alles te weten, door de massa artikels en reportages die we de afgelopen drie jaar over het land hebben moeten slikken. Toch weet Gilles Kepel ook over dit onderwerp nog een aantal elementen aan te kaarten die onderbelicht zijn gebleven. Zo merkt hij op dat de neoconservatieven een speciale band voelen met de sjiieten, bij wie ze een aantal gelijkenissen met het jodendom ontwaren. Zo waren de meeste niet-joodse marxisten in de regio van sjiitische oorsprong. De grootste Kommunistische Partij uit het Midden-Oosten was die van Irak, voornamelijk bevolkt door schiieten en volledig vernietigd onder het bewind van Saddam Hoessein. Sommige uitgeweken communisten hebben daarom in 2003 met de V.S. meegevochten in de oorlog tegen Irak. Kepel wijst nog op een ander element dat weinig aandacht heeft gekregen in de analyses van de oorlog: de demografische explosie die het geheel van het Midden-Oosten kenmerkt. Hierbij bestaat een ruime meerderheid van deze landen uit jongeren, die bijna onmogelijk allemaal aan werk kunnen geraken en opgroeien in een gewelddadige en arbitraire wereld. Zij vormen een aanzienlijk reservoir voor gewelddadige groepen in Irak.

Het boek gaat uitvoerig in op de geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen in Irak. De Koerden hebben het altijd al moeilijk gehad met het Baath-regime, dat een Arabisch nationalisme predikt dat anti-Koerdisch is. Als de Koerden in 1968 met de steun van Iran de oliebronnen van Kirkuk aanvallen, voert Saddam Hussein als represaille etnische zuiveringen en een gedwongen Arabisering van de regio uit. Later, tijdens de oorlog met Iran, zullen vele Koerden uit het Iraakse leger deserteren en tegen Saddam Hussein rebelleren. Die antwoordt met de Al Anfal-operatie, een massale operatie van etnische zuiveringen waarbij 172 000 doden vallen en dat vooral bekend is omwille van de gifgasaanval op het dorp Halabja. In totaal verloren sinds 1968 300 000 Koerden het leven als gevolg van de Baath-politiek. 4000 dorpen werden vernield. In 1991, na internationale reactie op de bezetting van Koeweit, verkrijgen de Koerden autonomie. De internationale coalitie, waarin vele landen uit de regio zitten, wilt de stabiliteit van de regio bewaren en verkiest het behoud van een unitair Irak onder een embargo en een vliegverbod boven een onafhankelijk Koerdistan dat ook de Koerden in Turkije of Syrië zou kunnen bekoren. De twee belangrijkste Koerdische partijen zullen nog een tijd onder elkaar vechten, waarbij de PDK van Barzani zelfs de hulp van Saddam Hussein zal inroepen in zijn strijd tegen de PUK van Talabani. Daarna is de situatie gestabiliseerd en sinds 2003 hebben de Koerden door intense samenwerking met de Amerikanen hun machtspositie aanzienlijk versterkt.

De soennieten waren tot aan de Eerste Wereldoorlog trouw aan de Ottomaanse heersers. Na de oorlog zullen ze onder het Brits protectoraat ijveren voor democratisering. Maar na het onderdrukken van een sjiitische opstand in 1920 zullen de soennieten als minderheid regeren, wat ze proberen te compenseren door het belijden van een hevig pan-Arabisme en panislamisme. In 1958 werpen soennitische officiers de Faysal-dynastie – aan de macht sinds 1921 – omver om een pan-Arabisch socialistisch regime in te stellen. In 1968 grijpt de Baath-partij de macht. Saddam Hussein is dan al de sterke man van de partij, maar zal pas in 1979, na een grondige zuivering, de macht volledig naar zich toetrekken. Hij weet de macht te behouden door naast het schrikbewind ook kwistig het oliegeld te verdelen onder zijn getrouwen (geordend naar belang: zijn familie, zijn stam, de bewoners van tikrit, de soennieten, de leden van de Baath-partij en de officieren van het leger). Tijdens de oorlog met Irak roept Hussein weer het pan-Arabisme in. De Iraakse sjiieten, die in tegenstelling tot de Iraanse sjiieten Arabieren zijn, worden opgeroepen om mee te vechten. Saddam zorgt er wel voor dat de officieren soennieten blijven, en richt ook soennitische elitetroepen op die een mogelijke sjiitische opstand moeten kunnen onderdrukken. Saddam kan tijdens de oorlog de steun genieten van het westen en van diverse golfstaten, maar als in 1988 de vrede komt, zijn zowel Iran als Irak failliet. Daarom valt Irak in 1990 haar grote geldschieter – Koeweit – aan. Tijdens de stijging van de spanning tussen de verschillende partijen in de regio bieden de Moslim Broeders hun diensten aan zowel Irak als Saoedi-Arabië aan. Zo weten ze hun netwerk weer op te bouwen bij de Iraakse soennieten, wat de Amerikanen later zuur zou opbreken, onder meer in Falluja.

De sjiieten vormen het grootste vraagstuk in de strategie van de Amerikanen. Hun steun is essentieel voor het welslagen van hun project in Irak, en moet zelfs onrechtstreeks buurland Iran terug in de internationale gemeenschap integreren. In 1958, na de staatsgreep van generaal Qasem, weten de sjiieten veel invloedrijke posities in te nemen via de grote Kommunistische Partij waarop Qassem zijn macht baseert. Na de machtsgreep van de Baath uit 1968 worden de sjiieten echter steeds meer gemarginaliseerd. Als in 1977 tijdens de sjiitische Arba’in-processie rellen uitbreken tegen het Baath-regime, verbiedt Saddam Hussein de plechtigheid. (Het is slechts in 2003 dat de plechtigheid terug kan plaatsvinden, hetgeen een ware massabijeenkomst werd.) Onder invloed van de Iraanse Revolutie laten ook Iraakse geestelijken het sjiitisch quietisme - het afzijdig wachten op het laatste oordeel - vallen om te pleiten voor een islamitische staat. Ze zullen - zoals hun voorman Baqir al Sadr - geëlimineerd worden door het regime of hun toevlucht zoeken in Iran. De sjiitische opstand van 1991 blijft - ondanks de steun van islamitische partijen uit Iran - een opstand zonder structuur of leiders, en wordt genadeloos neergeslagen door Saddam Hussein. Ayatollah al Sistani, die trouw was gebleven aan het sjiitisch quietisme, houdt de religie onder Saddam Hussein ver van de politiek. Hij zal tijdens de Amerikaanse aanval in 2003 een fatwa uitspreken tegen het gebruik van geweld tegen de coalitietroepen.

De slag om Europa
In het laatste hoofdstuk keert Kepel zich terug tot het onderwerp waarmee hij ooit zijn carriere als islamdeskundige begonnen was: de Europese islam. Na de aanslagen van 11 september werd duidelijk dat een deel van de voorbereidingen in Europa hadden plaatsgevonden (onder meer in de Hamburgcel van Mohammed Atta). Met de aanslagen van 11 maart 2003 in Madrid werd bovendien een Europees front in de jihad van Al Qu’aida geopend. Toch had Europa al eerder te maken met islamitische terreur. Frankrijk met name, werd in de jaren ’80 al opgeschrikt door aanslagen van aan Iran gelinkte sjiitische Libanezen, en in de jaren ’90 van de Algerijnse Groupe Islamique Armé. Als gevolg daarvan heeft Frankrijk al 25 jaar lang een streng beleid gevoerd tegen islamisten, met een toegangsverbod voor radicale islamitische prekers. Groot-Brittannië heeft lang het tegenovergestelde gedaan. Het hield de deuren wagenwijd open voor migranten en liet extremisten toe zich vrij uit te drukken, in die mate dat men in Londen begon te spreken van Londonistan, een vrijhaven voor islamitische extremisten. Algemeen gezien koos Groot-Brittannië voor een model van gescheiden culturele ontwikkeling, waarbij de verschillende groepen migranten in hun eigen groep ontwikkelen en gemeenschappelijke leiders per groep naar voren schuiven. Dit stond in contrast met het Franse model van individuele integratie. Na 2001 veranderde de Britse politiek en ging men ook daar harder optreden tegen radicale prekers.

Er bestaan volgens Kepel verschillende denkpatronen rond de invloed van de islam in Europa. De meest optimistische opvatting is dat de islamitische migranten mee de dragers zijn van de moderniteit, die via hen ook naar hun afkomstregio zal uitspreiden. De meest pessimistische visie beweert dat de islam zich tegen Europa zal keren. Er bestaan inderdaad stromingen binnen de moslimmigranten die de Europese samenleving grondig verwerpen. Zij verdedigen de terugplooiing in de eigen gemeenschap, de terugkeer naar het land van afkomst of in extreme gevallen zelfs het gebruik van geweld. Kepel onderscheidt drie strekkingen binnen het islamisme. De eerste is de salafistische jihad. Zij zijn degenen die het ongelovige Europa grondig verwerpen, alsook de ‘afvallige’ regimes in het Midden Oosten. Zij zijn bereid om de wapens op te nemen en militaire training te volgen in buitenlandse kampen. Een tweede strekking bestaat eveneens uit salafisten, maar is apolitiek en verwerpt de gewelddadige eerste stroming. Zij zijn de piëtisten, of de cheikisten in de ogen van hun tegenstanders, naar hun overeenkomst met de Saoedische cheiks. Zij prediken de breuk met en de terugtrekking uit de Europese maatschappij. De derde een laatste stroming zijn de Moslim Broeders, die in tegenstelling tot de twee eerste strekkingen een actieve deelname aan het publieke debat in het gastland voorstaan. Hun voorman in Europa is de Zwitserse professor Ramadan, een nazaat van het Egyptische Moslim Broederschap. Deze drie strekkingen leveren een bitsige strijd onder elkaar in de Franse buitenwijken en op het internet.

In Frankrijk werd de opkomst van de politieke islam vanaf 1970 gedomineerd door de Tabligh-beweging. Deze beweging ontstond in de jaren ’20 in India en predikte een strikte naleving van het leven van de profeet. Ze organiseerden excursies naar sociale wijken, en later ook naar Pakistan waar ze de deobandi-scholen bezochten die ook aan de oorsprong lagen van de Taliban-beweging. Vanaf 1989 verliezen ze echter aanhang aan de salafisten en aan de Union des Organisations Islamiques de France (UOIF), verbonden aan het Moslim Broederschap. Deze laatsten - die in tegenstelling tot de eersten pleiten voor deelname aan het politiek, sociaal en cultureel leven - spelen de hoofdrol in de protesten tegen het verbod op de hoofddoek in de Franse scholen. Ze gaan daarbij bondgenootschappen sluiten met groepen uit de Franse civiele maatschappij, voornamelijk ter linkerzijde. Kepel speculeert uitgebreid over de mogelijkheid dat deze bondgenootschappen, zoals eerder bij de Franse communisten, zouden leiden tot een matiging van de standpunten van de islamisten. Want de standpunten van de islamisten ten aanzien van vrouwen of holebi’s worden niet altijd gesmaakt door antiglobalisten en andere progressieven die op de betogingen tegen het verbod op de hoofddoek aanwezig zijn. Alle protesten ten spijt besluit de commissie Stasi – waar ook Kepel in zetelt, al rept hij daar merkwaardig genoeg met geen woord over in zijn boek – tot een verbod van ‘ostentatieve religieuze symbolen’ op Franse openbare scholen. Frankrijk wordt internationaal het mikpunt van de islamisten. Maar als terroristen in Irak de terugtrekking van de wet eisen in ruil voor de vrijlating van Franse gijzelaars, scharen de Franse moslimverenigingen zich achter hun nationale vlag en eisen ze mee de onmiddellijke vrijlating van de gijzelaars.

Erudiet optimisme
In zijn besluit – ‘Fitna en jihad overstijgen’ – ontleedt Kepel deze twee termen en hun connotatie in de islamitische wereld. ‘Jihad’ heeft een positieve connotatie en staat voor de steun aan de religieuze orde en de verspreiding van de islam. In een extreme versie kan jihad ook staan voor heilige oorlog, de betekenis die er tegenwoordig vaak aan gegeven wordt. ‘Fitna’ daarentegen, heeft een negatieve connotatie en staat voor afscheiding en oorlog. Uiteraard bestaat de kans dat een jihad uitmondt in fitna. In het geval van Al Qu’aida lijkt fitna zelfs het enige resultaat van hun jihad te zijn. Ze hebben geen zichtbare overwinningen behaald, maar integendeel de moslimgemeenschap zelf het slachtoffer gemaakt van hun bloedige aanslagen alsmede van wereldweide stigmatisering tengevolge van deze acties. Tenslotte kan hun jihad verdere chaos in het Midden Oosten veroorzaken – bijvoorbeeld in Saoedi-Arabië -, wat dan weer tot nieuwe westerse interventies kan leiden. Kepel vraagt zich af wat de positieve alternatieven zijn. Het neoconservatieve democratiseringsproject kan volgens hem niet bekoren, want zij worden te veel gelijkgesteld met de politiek van Sharon in Palestina. Bovendien hebben de beelden van martelende mariniers in de Abu Graibh-gevangenis hun plan gediscrediteerd. Het anti-amerikanisme is sinds 11 september sterk toegenomen, in die mate zelfs dat de term ‘democratisering’ bij vele moslims een negatieve connotatie heeft gekregen.

Wat zijn dan wel de alternatieven? Kepel levert hier geen pasklare antwoorden op, al haalt hij hier nogmaals zijn stokpaardje boven: de Europese moslims! In een context waarin Arabische landen de vrijheid verstikken en economisch stagneren, moeten de van de Europese diversiteit en ontplooiingsmogelijkheden genietende moslims het verschil maken. Kepel ziet al een eerste positieve evolutie in het stijgend aantal volksvertegenwoordigers van moslimafkomst die in de verschillende democratische instellingen verkozen worden. Ook de nieuwe ondernemers, ambtenaren enz. moeten uiteindelijk een nieuwe generatie vormen van universeel denkende moslims die het tegengewicht vormen voor de jihadis. De vraag rijst of Kepel hier niet te snel de sprong maakt naar deze optimistische visie, hij die nog even ervoor de strijd van de islamisten in de Europese buitenwijken beschreef, inclusief hun verwerping van deze ongelovige samenleving en hun visie op de positie van de vrouw in de maatschappij.

Kepel is wel eerder van overdreven optimisme beschuldigd. Zijn vorige boek 'Jihad. Expansion et déclin de l'islamisme' kreeg veel kritiek omdat hij al voor 11 september het failliet van de radicale islam had voorspeld. Bovendien had hij in zijn zoektocht naar verlichte intellectuelen in de islam een geïdealiseerd beeld geschetst van Tariq Ramadan. Besluit hij ook in dit boek niet te snel dat de hervormingen in Saoedi-Arabië tot meer democratie zullen leiden, en had hij in het verleden niet voorspeld dat Khatami Iran op de goed weg zou brengen? Men kan alleen maar hopen dat Kepel gelijk heeft als hij zegt dat Al Qu'aida het verkorven heeft bij de meerderheid van de moslims, maar is een fanatieke minderheid niet voldoende om ons nog lang het leven te verzuren? Kepel beseft dit volgens mij maar al te goed. Met zijn enorme feitenkennis, de grote kracht van zijn boek, weet hij alle moeilijkheden en ieders kleine kanten genuanceerd bloot te leggen. Toch wil hij onmiskenbaar een optimist zijn, want zoals hij schrijft in zijn slotwoord: “er is uiteindelijk geen andere keuze dan te ijveren voor de totale participatie van de moslimjongeren aan het publieke leven”.

vrijdag, augustus 12, 2005

Neil Young - 18 Songs

Fredwitrave selecteert zijn favoriete Neil Young-nummers en geeft tekst en uitleg.

  1. Tell Me Why (After the Goldrush – 1970). Openingsnummer van After The Gold Rush – samen met Harvest dè klassieker van Neil Young. In mijn ogen het perfecte openingsnummer – die simpele 4 nootjes als intro. Perfect.

  2. Heart of Gold (Harvest – 1972). Genoegzaam bekend. Zeer mooie intro – zeker ook omwille van het ritme van de eerste akkoorden. De intro balanceert wat tussen rock en folk in. De samenzang op het einde van het nummer vind ik geniaal. Track van die tweede Young klassieker: Harvest.

  3. Out on the Weekend (Harvest). Rustig nummerke, met typische bas/drum combinatie. Je hoort duidelijk elke noot van de bas. Geen uitsteker, maar zeker niet slecht.

  4. Mr. Soul (Unplugged – 1993). Een van mijn absolute favorieten – alleszins in deze versie. Dit nummer verscheen oorspronkelijk op de cd ‘Buffalo Springfield Again’ (Buffalo Springfield – 1967). Young probeerde in die tijd, als lid van deze groep, vooral Mick Jagger vocaal te imiteren. Deze versie is harder/elektrisch.
    Er bestaat nog een derde, electronische, versie van dit nummer op ‘Trans’ (1982). ‘Trans’ zorgde voor veel ophef bij de Young-fans, aangezien Neil op deze cd met electronica aan de slag ging. Een – volgens velen – niet zo geslaagd experiment.

  5. World on a String (Unplugged). Oorspronkelijk op ‘Tonight’s the Night (1975). Opnieuw een donker akoestisch nummer – the way I like them. Hangt voor mij ontegensprekelijk samen met Mr. Soul.

  6. Transformer Man (Unplugged). Zo ongeveer de titeltrack van ‘Trans’ (1982), waarop het in een heel andere – elektronische – versie verscheen. Controverse. Dat hoor je ook aan de eerste, lauwe reactie van het publiek tijdens ‘Unplugged’. Deze akoestische versie vind ik dan ook veel mooier dan het origineel.

  7. Unknown Legend (Unplugged). Een jaar voordien verschenen op ‘Harvest Moon’ (1992). Beide versies zijn vergelijkbaar.

  8. Till the Morning Comes (After the Goldrush). Leuk en kort tussendoortje. Lijkt een niemendalletje, maar over de opbouw is goed nagedacht, lijkt me. Hoe de instrumenten invallen, bas, drum. Simpel maar geniaal. Ook de samenzang op het einde mag er wezen.

  9. A Man Needs a Maid (Harvest). Niet meteen mijn absolute favoriet, maar moest er toch bij. Breed georchestreerd en toch typisch Neil Young. Bij dit nummer hebben een aantal hedendaagse groepen (waarvan me de naam momenteel ontglipt) de mosterd gehaald.

  10. Old Man (Harvest). Zeer klassieke Young, iet of wat ‘country’. Mooie samenzang. Een favoriet.

  11. Comes a Time (Comes a Time – 1978). Nog een van mijn absolute favorieten. Zeer country. Mooie samenzang, leuke vioolriedeltjes, sobere tekst. Mooi slot. Meezingbaar.

  12. Birds (After the Goldrush). Wat moet ik hiervan zeggen? Young aan de piano. Typische samenzang. Melancholisch en simpel.

  13. Harvest Moon (Harvest Moon – 1992). Vlak voor ‘Unplugged’ kwam deze akoustische Young uit. Schitterend nummer, simpel maar geniaal gitaarrifje/intro. Daarna wordt het wat voller met geweldige achtergrondzang. Hiervan droom je weg. Het gekke bij dit nummer – en vele andere nummers van Neil Young – is dat het vaak zo cliché klinkt en toch ook zeer goed en origineel. Hij steelt volgens mij gewoon zeer goed van minder bekende coutrymuzikanten en geeft er dan z’n eigen draai aan. Hoe hij hier ‘on this harvest moon’ zingt: zo sappig, zo melig, zo geweldig met die slide erbij. Tijdloos.

  14. Helpless (Déjà Vu – 1970). In deze periode leek het wel of Young zowat wekelijks een cd uitbracht. Hier als onderdeel van het legendarische Crosby, Stills, Nash & Young. Stephen Stills speelde al samen met Young bij Buffalo Springfield en schreef de classic ‘For What It’s Worth’, later nog bekender geworden door de sample in ‘He got Game’ van Public Enemy.

  15. Only Love Can Break Your Heart (After the Goldrush). No comments on this one.

  16. Alabama (Harvest). Zoals je misschien al merkt hou ik het meest van Neil Young ‘de folky’. Geef mij maar akoestisch. Neil de rocker mag er zijn, maar geniet niet mijn voorkeur. Om dit lijstje af te sluiten volgen toch nog twee iet of wat meer rock getinte nummers. Alabama is nummer één. Zeer mooie opbouw naar het refrein, me dunkt.

  17. The Needle and the Damage Done (Harvest). Verscheen voor het eerst op Harvest, maar werd minstens even bekend als single van ‘Unplugged’. Voor zover ik weet is van dit nummer nooit een studio-opname verschenen. De versie op Unplugged is iets dynamischer, maar ik heb toch voor dit origineel uit 1972 gekozen. Geniaal gitaarstukje. Kort nummer, zonder echt refrein. Een echte classic, ondanks zijn simpele songstructuur. Dit bewijst nog maar eens: muziek is niet logisch.

  18. Words (Harvest). Tot slot een tweede rocker. Typisch Young, met een zeer simpele, maar uitgesponnen gitaarsolo. Ook leuk: de ritme veranderingen. Drievierde, viervierde, … Ik ben de draad kwijt. Maar: klinkt goed en dat telt.

(Gastbijdrage van Fredwitrave)

maandag, juni 13, 2005

Which one is Pink?

Saint Bob, alias Bob Geldof, is wel degelijk in staat om wonderen te verrichten. Hij had ons eerder al verbaasd door een wereldhit te schrijven voor een voor de rest erg middelmatige groep (I don’t like mondays van zijn voormalige groep The Boomtown Rats). In de jaren 80 organiseerde hij het groots opgezette Live Aid-benefietconcert, waarvoor David Bowie, Dire Straits, The Rolling Stones, Bob Dylan en vele andere grote namen hun bijdrage leverden aan de strijd tegen de honger in Ethiopië. Hij doet het bovendien vandaag nog eens opnieuw met live 8, dat de G8 wilt aanzetten tot de afschaffing van de schuld van derdewereldlanden. The Cure, Paul Mc Cartney, U2 en R.E.M. zijn een aantal van de groepen die toegezegd hebben. Maar hoe indrukwekkend ook, dit alles is nog menselijk. Voor het bericht dat vandaag wereldkundig gemaakt werd moet Geldof wel degelijk over bovennatuurlijke krachten beschikt hebben. Voor Live 8 zal, voor het eerst in meer dan twintig jaar, de legendarische incarnatie van Pink Floyd samen spelen. Dat betekent: inclusief bassist Roger Waters, die jarenlang een verschrikkelijk bittere vete uitvocht met de rest van de groep.

Pink Floyd ontstaat in 1966 als Roger Waters, Richard Wright en Nick Mason, drie studenten architectuur aan de Polytechnic School van Londen, samen met wat vrienden een rockgroepje oprichten. Dat groepje split al snel, maar wordt al even snel terug opgericht met Syd Barrett als spil. Deze laatste componeert in de begindagen bijna al het werk en weet met Pink Floyd snel een reputatie te verwerven als geschifte psychedelische rockgroep. Pink Floyd heeft hits met Arnold Layne en See Emily Play, en de naam Syd Barrett wordt vaak in één adem uitgesproken met het woord ‘genie’. Maar Syds druggebruik neemt gigantische proporties aan. Naar verluid verkeert hij een volledig jaar onder invloed van LSD. Neemt hij zelf niets, dan iss er wel altijd iemand in de buurt die heimelijk iets in zijn glas stopte. Hij is al snel niet meer in staat om normaal te functioneren, en David Gilmour wordt aangetrokken als extra gitarist om de groep live bij te staan. Reeds in die tijd heeft Pink Floyd een spectaculaire lichtshow met aluminiumplaten op de achtergrond die het licht reflecteren en de muzikanten quasi-onzichtbaar maken. Met Syd gaat het verder bergaf en hij maakt de anderen steeds meer het leven zuur. Op een avond laat Roger Waters de andere bandleden weten dat het genoeg geweest is en dat het geen zin heeft om Syd nog af te halen voor het geplande concert. Iedereen stemt in en de groep zal van dan af in zijn meest bekende bezetting hebben, met Roger Waters op bas, David Gilmour op gitaar, Richard Wright op de toetsen en Nick mason op drums.

Met Syd Barrett zal het van kwaad naar erger gaan. Hij is psychisch helemaal van de kaart en leeft onder constant medisch toezicht. Hij mag nog een nummer bijdragen aan de tweede plaat van Pink Floyd - A Saucerful of Secrets - en zal daarna nog drie soloplaten opnemen met de hulp van de andere groepsleden. David Gilmour heeft later uitgebreid verslag gemaakt van het verloop van de opnames. Syd werd op een stoel gezet met een akoestische gitaar, en men liet hem zijn ding doen. Achteraf beraadslaagden de anderen of ze nog iets zouden kunnen toevoegen aan de nummers, en dan werden de andere instrumenten opgenomen. De meeste nummers bleven enkel Syd en zijn gitaar. Later zou Syd zich enkel nog bezighouden met het kweken van cactussen en zonder enig besef leven van hetgeen zich rondom hem afspeelt. Of zijn geestestoestand enkel te wijten is aan zijn overmatig druggebruik, of ook aan een aangeboren afwijking – volgens sommigen is hij schizofreen – blijft een volkomen raadsel. Hij leeft nog steeds in Cambridge en beseft vaagjes dat hij ooit een bekende rockster was.

De nieuwe Pink Floyd zal zich heroriënteren naar symfonische rock, met lang uitgerokken nummers die uit verschillende sequenties bestaan en veel ruimte bieden voor solo’s. De dubbelaar Ummagumma zal wellicht de geschiedenis ingaan als een van de vreemdste platen aller tijden. Deze bestaat uit een live-plaat en een studioplaat waarop de groepsleden zich helemaal laten gaan. ‘Deze plaat is zo saai dat je je baard kan horen groeien terwijl je ernaar luistert’, schrijven de critici. Atom Heart Mother en Meddle weten het iets subtieler aan te pakken, en de populariteit van de groep groeit enorm. Met The Dark Side of the Moon weet Pink Floyd de verkooprecords te breken. Het megasucces is des te opmerkelijker daar Pink Floyd sinds het vertrek van Syd Barrett geen enkele single heeft uitgebracht, en zelfs niet één potentiële hit heeft gemaakt. Ze maken ellenlange nummers met eindeloze instrumentale stukken. Verder cultiveert de groep een absoluut non-imago. Ze geven amper interviews, komen niet op televisie en blijven zelfs tijdens hun optredens wat op de achtergrond door de lichtshow en de filmprojecties.

Maar stilaan wordt het ook voor de buitenwereld duidelijk dat de verschillende ego's binnen de groep wel eens willen botsen. Op Wish You Were Here heeft Roger Waters alweer alleenrecht op het schrijven van teksten. Van Animals weet hij een conceptplaat te maken dat losjes gebaseerd is op The Animal Farm van George Orwell. Zijn teksten geven geen hoogstaand beeld van de mensheid, maar het is desalniettemin een indrukwekkende plaat. Tot op dit punt blijven de andere bandleden nog een stevige vinger in de pap hebben. Maar Waters zal van dan aan het laken helemaal naar zich toetrekken. Na een rustperiode stelt Waters twee demo’s voor aan de groep. De ene noemt ‘The Pros and Cons of Hitchhiking’, de tweede ‘The Wall’. Het gaat om twee projecten voor conceptplaten die Waters wilt uitwerken, en de groep mag er één van uitkiezen. De bandleden kiezen voor The Wall. Waters zal voor het overgrote deel van die plaat tekst en muziek leveren. Het wordt een uiterst ambitieuze conceptplaat over een artiest die zich door alle tegenslagen van het leven steeds meer in zichzelf keert. Zijn bemoeizieke moeder, zijn gefrustreerde leraars, zijn begripsloze vrouw… het zijn allemaal stukken van de muur die hij rondom zich bouwt. Hij ontpopt zich tot een volksmenner die de wereld rondom hem tiranniseert, tot hij ter verantwoording wordt geroepen en men de muur rondom hem afbreekt. De plaat speelt subtiel met referenties naar de Tweede Wereldoorlog en naar de Koude Oorlog, en weet daardoor des te meer te imponeren.

The Wall wordt een immens succes, en dat in een tijd waarin punks het te kakken zetten van megagroepen als Pink Floyd tot volkssport hadden uitgeroepen. Er wordt zelfs een single uitgebracht - voor het eerst sinds Syd Barrett uit de groep is gezet. Another Brick in the Wall wordt een hit, en als het nummer gezongen wordt door stakende zwarte studenten in Zuid-Afrika en daarna door het apartheidsregime verboden wordt, is Roger Waters helemaal in de wolken. Midden in het tijdperk van de punk weet hij commercieel succes en politieke relevantie te combineren, en dat met een afgeschreven mastodontgroep als Pink Floyd! The Wall duikt vandaag de dag nog steeds op in alle lijstjes met de beste platen aller tijden, en het is naar mijn mening de meest geslaagde conceptplaat die er bestaan, met een duidelijk verhaal doorheen de plaat en hopen naar elkaar verwijzende gegevens.

Maar de plaat laat ook zware sporen na op de groep. Waters, die tijdens het schrijven van The Wall zwaar depressief is, beslist welke nummers op de plaat komen en zelfs wie op welk nummer mag spelen. Enkel Gilmour weet nog enige invloed te behouden en mag als enig ander lid van de groep een paar eigen nummers bijdragen tot de plaat. Niet lang na The Wall zet Waters Richard Wright aan de deur. Hij schrijft op zijn eentje The Final Cut, wederom een zwaarmoedig conceptalbum vol verwijzingen naar de Tweede wereldoorlog. Tijdens de opnames van de plaat wordt heel wat afgevochten tussen de groepsleden. Waters verklaart nadien dat men de spanning in de studio kan horen in zijn stem. De naam van de plaat is alleszins goed van toepassing, want als Waters een jaar later The Pros and Cons of Hitchhiking uitbrengt onder zijn eigen naam, sterft Pink Floyd een stille dood. Even toch.

In 1985 zegt Waters zijn contract met de manager van Pink Floyd op en kondigt hij officieel aan dat hij de groep verlaat. Een jaar later komen David Gilmour en Nick Mason terug samen en beginnen ze muziek op te nemen die ze onder de naam Pink Floyd wensen uit te brengen. Het is het begin van een vete die jarenlang zal aanslepen. Roger Waters vindt dat Pink Floyd afgedaan heeft en dat de anderen de naam niet mogen gebruiken van de groep waarvoor hij jarenlang de voornaamste songschrijver was. Er komt een rechtszaak van en uiteindelijk krijgen Gilmour en Mason het recht op de naam. Ze nemen A Momantary Lapse of Reason op, een plaat die schraal aandoet in vergelijking met het eerder werk van Pink Floyd, maar desalniettemin een zeker succes geniet. Richard Wright speelt er als sessiemuzikant op mee en zal later terug volwaardig lid worden van Pink Floyd. De vete met Roger Waters is daarmee niet gedaan en zal zelfs hilarische proporties aannemen, met hopen verwijten over en weer, Waters die naar Pink Floyd verwijst als ‘another band’ die eindeloos zijn eigen nummers blijven naspelen, of nog met songs die verschillende credits krijgen naargelang ze op de live-cd van de ene of de andere partij verschijnen. Pink Floyd gaat uitgebreid toeren met een hoop extra muzikanten en alweer is er een rechtszaak over de auteursrechten. Geruchten gaan dat Waters tot 40% van de opbrengsten opstrijkt. Niet niets, want de tournee van 1994, na The Division Bell, brengt 2 miljard dollar op.

De nieuwe Pink Floyd mag dan al veel succes hebben, voor veel fans blijft de periode met Roger Waters het artistiek hoogtepunt van de groep (al blijft er hier en daar een enkeling beweren dat enkel Syd Barrett degelijke dingen heeft gemaakt met Pink Floyd). Gezien de jarenlange verwijten over en weer leek het voor iedereen onmogelijk dat er ooit een reünie zou komen van Pink Floyd met Roger Waters. De eerste geruchten van dergelijke reünie voor Live 8 werden op de fansites met hoongelach onthaald. Maar kijk… vandaag is het officieel. Pink Floyd zal op Live 8 optreden met Waters, Gilmour, Wright en Mason broederlijk naast elkaar. Hoe kreeg Bob Geldof dat voor elkaar? Hij had in het verleden al nauwe banden gehad met de groep. Geldof mocht het hoofdpersonage Pink neerzetten in de verfilming van The Wall in 1982, een nachtmerrieachtige musical waarin stukken film en tekenfilm elkaar afwisselen. In 1985 zou David Gilmour, als enig lid van een in ontbinding verkerende Pink Floyd, deelnemen aan Live Aid (in de begeleidingsgroep van Brian Ferry). Geldof nam contact op met de verschillende leden van Pink Floyd, en blijkbaar heeft Waters als eerste de beslissing genomen om de reünie een kans te geven. Na telefonische contacten stapten de anderen mee.

Zullen de verschillende groepsleden het een heel optreden uithouden zonder al vechtend over het podium te rollen? U mag er vanaf nu uw geld op gaan inzetten. Zal Pink Floyd na Live 8 nog extra optredens geven in deze legendarische bezetting? Dit wordt voorlopig in alle toonaarden ontkend, al zou het zeker lucratief zijn. Vele fans zouden deze groep maar wat graag aan het werk zien. The Velvet Underground begon ooit na een eenmalige reünie aan een wereldtournee. Het is onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat ‘le Floyd’ dezelfde beslissing zou nemen. Iedereen houdt het voorlopig bij een éénmalig optreden. Zou Pink Floyd nieuw materiaal kunnen opnemen samen met Roger Waters? Dit lijkt volledig utopisch. Waters zou bij plannen voor nieuw materiaal zeker de creatieve leiding opeisen, en het is quasi-onmogelijk dat de andere leden hiermee zouden instemmen. Bovendien is Waters nooit echt van zijn mening afgeweken dat Pink Floyd creatief dood was na zijn vertrek in 1985. Samen een optreden geven voor een goed doel is iets heel anders dan uitgebreid touren en zeker als nieuw materiaal opnemen. Aan de andere kant was het bericht dat Pink Floyd ooit weer met Roger Waters zou optreden tot op een paar dagen geleden ook erg ongeloofwaardig. Men weet dus maar nooit…


Brain damage (Roger Waters)

The lunatic is on the grass
The lunatic is on the grass
Remembering games
And daisy chains and laughs
Got to keep the loonies on the path

The lunatic is in the hall
The lunatics are in my hall
The paper holds their folded faces to the floor
And every day the paper boy brings more

And if the dam breaks open many years too soon
And if there is no room upon the hill
And if your head explodes with dark forebodings too
I'll see you on the dark side of the moon

The lunatic is in my head
The lunatic is in my head
You raise the blade
You make the change
You rearrange me 'till I'm sane

You lock the door
And throw away the key
There's someone in my head, but it's not me

And if the cloud bursts thunder in your ear
You shout and no one seems to hear
And if the band you're in starts playing different tunes
I'll see you on the dark side of the moon