Inkomend nieuws! Leg de persen stil! Robert Smith heeft iets gezegd over de nieuwe plaat van The Cure! Enfin ... alweer ... maar onze adem inhouden doen we al lang niet meer.
Zullen we nog eens recapituleren? In 2018 viert The Cure zijn 40-jarig jubileum. Robert Smith mag een aantal festivals organiseren en nodigt daarbij een hoop groepen uit ... en hij krijgt zin om opnieuw zelf muziek te maken. Later dat jaar nog duikt de groep de studio in, en er wordt gesproken van drie nieuwe platen die toen opgenomen zijn. Sindsdien wachten we ...
En elke keer als Robert een microfoon in het gezicht gedrongen krijgt wordt er gevraagd naar die nieuwe platen. Dat gebeurde uiteraard op de NME awards van eergisteren, waar Smith heeft opgetreden samen met Chvrches. Nadat Chvrches hun nummer 'Asking For A Friend' heeft gespeeld, nodigden ze Smith uit om samen 'How Not To Drown' - de single waarop ze eerder hadden samengewerkt - en 'Just Like Heaven' te zingen. Het was de eerste keer dat Smith en Chvrches elkaar in levende lijve ontmoetten, en dat is blijkbaar goed verlopen. We vernamen alvast via Chvrches-zangeres Lauren Mayberry dat Robert Smith niet één van die 'problematische oude mannen' is waar de showbiswereld onder te lijden heeft.
Terug naar de nieuwe platen. Smith had al eerder gezegd dat één van de platen het meest donkere werk van The Cure ooit zou bevatten. Donkerder nog dan 'Pornography' of 'Disintegration'? We twijfelen eraan, maar onze nieuwschierigheid is alvast gewekt. Het is die plaat die als eerste zou uitkomen, en voor het eerst waagt Smith zich eraan om een uitgavedatum aan te kondigen. De plaat zou er in september zijn, net voor The Cure aan een wereldtournee begint in oktober 2022. En jawel: het kind heeft een naam. 'Songs Of A Lost World' zal het schijfje heten, en dat klinkt ook al best donker.
Let wel: er kan nog vanalles mislopen. Want er is al één plaat klaar, maar dat is de tweede plaat, die een stuk vrolijker zal klinken. Die zou ergens volgend jaar moeten uitkomen, maar pin je daar niet aan vast. Voor 'Songs Of A Lost World' moet Smith nog vier liedjes inzingen, en dat staat gepland voor begin april. Maar wat als hij daar nog niet helemaal tevreden over is? Dat zou dan kunnen betekenen dat alles misschien toch nog iets langer zal duren, zoals we het van The Cure intussen gewoon zijn. En de derde plaat dan? Daar had Smith al eerder van gezegd dat het een hoop noise is. 'Het is eigenlijk vooral feedback', voegt hij er nu aan toe. En hij heeft er een paar keer naar geluisterd en besloten dat het rommel is. Hij gaat de plaat nog herwerken, maar dat is nu niet zijn prioriteit.
Luistert u vooral nog eens naar het volledige interview in de onderstaande video.
40 jaar na 'The Drowning Man' - een van de hoogtepunten van 'Faith' uit 1981 - blijkt Cure-voorman Robert Smith mee te werken aan een nummer dat 'How Not To Drown' heet. Het nummer is de tweede single van 'Screen Violence', de vierde plaat van het Schotse Chvrches. Het duo tussen Chvrches-zangeres Lauren Mayberry en Robert Smith heeft blijkbaar veel voeten in de aarde gehad. De groep was helemaal niet zeker of Smith - ondanks zijn interesse - echt beschikbaar zou zijn voor het nummer, maar uiteindelijk kwam het er toch van.
Om de single te promoten werd een interview van Robert Smith afgenomen op Apple Music 1, en daar ging het vanzelfsprekend ook over de nieuwe plaat van The Cure. Een nieuwe plaat? Herinner je, in 2018 vierde The Cure zijn 40-jarig bestaan, en plots zei Smith dat hij inspiratie had om nieuwe muziek te maken met The Cure. De laatste plaat - '4:13 Dream' - dateerde intussen van 2008. De groep ging zelfs de studio in en nam naar verluid drie platen op, waarop het sindsdien wachten is.
Smith zegt nu dat hij misschien wel binnen zes weken meer info kan geven over de uitgaven. 'We maken twee platen en eentje is echt doom and gloom en de andere is dat niet. En ze zijn allebei nagenoeg klaar. Ik moet alleen nog beslissen wie ze moet mixen. Dat is echt het enige dat ik nog moet doen.' Doch wij houden onze adem niet in. Zes weken worden bij Robert Smith al snel zes maanden, en het zal een wonder heten als de plaat nog dit jaar uitkomt.
En die derde plaat dan? Smith legde eerder al uit dat het echt een uur geluid is. Nu hint hij ernaar dat dit als een soloplaat zou kunnen uitkomen. De groep was blijkbaar niet geïnteresseerd om de plaat collechtief uit te brengen. Hier is al helemaal geen verder nieuws over, dus het zal nog wel even wachten zijn op die noise-plaat.
Toegegeven, we baseren ons slechts op geruchten. Of beter: op heel korte opmerkingen die Cure-bassist Simon Gallup op sociale media deelt. In augustus schreef Simon op facebook: “Met pijn in mijn hart laat ik weten dat ik geen lid meer ben van The Cure. Veel succes allemaal”. Toen er vragen gesteld werden over de reden voor het ontslag antwoordde hij: “Ik ben oké. Ik ben gewoon klaar met het verraad”. Een officiële bevestiging van The Cure kwam er nooit, en dus bleef er steeds twijfel bestaan.
Bewijs van deze twijfel was iemand die - alweer op facebook - navroeg of Simon nog steeds lid is van de groep. Tot ieders verbazing was het Simon zelf die bevestigde: "ja, dat ben ik". Veel meer info moet u niet verwachten van de 61-jarige bassist, die niet bekend staat als een vlotte communicator. Maar voor de fans van The Cure is het wel reden tot feesten, want Simon is na Robert Smith het langst meegaande lid van de groep, en zijn stijl wordt erg geappreciëerd.
Fundamenteel heeft Simon slechts op drie platen van The Cure niet meegewerkt: het debuut 'Three Imaginary Boys', en dan de platen 'Japanese Whispers' en 'The Top', toen hij de groep verlaten had na een uit de hand gelopen ruzie met Robert Smith aan het eind van de 'Pornography'-tour. Hij werd terug bassist ten tijde van 'The Head On The Door' en is sindsdien onafgebroken lid gebleven.
Of er ooit een officiële bevestiging of ontkenning komt van wat dan ook rond deze zaak blijft afwachten, maar het is vrijdag en we zijn goed gezind, dus delen we dit nummer nog eens met jullie:
Nog maar een week geleden berichtten we over hoe Cure-voorman Robert Smith een aantal nummers van 'Seventeen Seconds' thuis en op zijn alleen heeft opgenomen voor een goed doel. Oh, en ook een beetje om de 40ste verjaardag van 'Seventeen Seconds' te vieren. We hoeven evenwel geen veertigste verjaardag van 'Faith', de heerlijk sombere opvolger van 'Seventeen Seconds' (in wanhoop en duisternis enkel nog overtroffen door 'Pornography', het derde deel van de trilogie die de drie platen samen vormen), af te wachten voor hij hetzelfde doet met deze plaat. Opnieuw is er een goed doel verbonden aan dit lockdown-optreden, en deze keer is dit het 'Letters to Santa'-programma, een initiatief van de Onward Neigbourhood House, een sociaal initiatief in een achtergestelde wijk in Chicago. Smith speelde prachtige versies van 'The Holy Hour', 'The Funeral Party' en 'The Drowning Man'. Blijft de vraag: krijgen we volgende week dan drie nummers uit 'Pornography' voorgeschoteld?
Er is blijkbaar een pandemie aan de gang en daardoor is het wat moeilijk om de veertigste verjaardag van 'Seventeen Seconds' te vieren, de plaat die destijds de doorbraak van The Cure betekende en de grote hit 'A Forest' bevatte. Robert Smith had het zo niet bekeken en bracht op 12 december een paar nummers uit de plaat - 'In Your House', 'M' en Play For Today' - in een show getiteld 'Nine Lessons And Carrols For Curious People'. De show is opgezet als een benefiet voor verschillende goede doelen: Turn2Us, Doctors Without Borders, Mind, and the Kings Place Music Foundation.
Robert Smith trad er blootvoets en zonder groep op, enkel bijgestaan door een gitaar (uiteraard) en een drumcomputer. Smith deed die dag trouwens nog een tweede opmerkelijk optreden. Samen met Gorrilaz bracht hij het nummer 'Strange Timez' live. U vindt de video van dit optreden hier. Oh, en over de nieuwe plaat... Ach neen, laat maar zitten. Die komt er wel, ooit...
Hoor wie klopt daar kinderen? Yep, die sint is weer in aantocht, en hij brengt iets zwarts mee. Zwart als roet, hoor goed! Begin u nu niet op te jagen, we hebben het niet over Piet. Neen, de sint brengt ons dit jaar een nieuwe single van Evi Vine: 'Sabbath', uit op 6 december. Zorg maar dat uw schoentjes aan de schoorsteen staan. En met een flinke Leffe erbij, want Evi heeft knechtjes mee die graag drinken. Zwarte, maar dan hebben we het niet over hun huidskleur. Niemand minder dan Simon Gallup van The Cure speelt bas op 'Sabbath'. En
peter Yates van Fields of the Nephilim beroert de gitaren. Als we het
goed verstaan hebben zullen zij dat doen op de hele plaat 'Black Light
White Dark' die op 22 februari 2019 zal uitkomen. En dat belooft een pareltje te worden. Niet alleen omdat Evi Vine al pareltjes had afgeleverd met 'Give Your Heart To The Hawks' en vooral haar debuut '... and so the morning comes', maar ook omdat 'Sabbath' zonder meer verbluffend is. Het geluid is nog donkerder dan we van Evi gewoon zijn, en gaat nog een stap verder gaat dan wat we van de charmante zelfmoordpop van Evi Vine gewoon zijn. De clip is eveneens enorm duister. Cinefielen zullen trouwens genieten van de knipoog aan Alfred Hitchcock, meester van het thrillergenre.
The Cure bestaat 40 jaar, en dat werd verleden zaterdag met veel poeha gevierd in Londen. Fans van over de hele wereld hebben zich verzameld in Hyde Park om optredens te zien van Editors, Goldfrapp, Interpol en nog wat andere namen, maar toch vooral om het twee uur durende concert mee te maken van het feestvarken zelf.
Robert Smith had aangekondigd dat de bedoeling zou zijn om 'de handjes in de lucht' te krijgen, en ook al had hij aanvankelijk wat last van het felle zonlicht, het werd een opmerkelijk feestje. Je kunt slechter beginnen dan met 'Plainsong' en 'Pictures of You', twee magistrale nummers uit het monumentale 'Disintegration'. Het was trouwens de meest succesvolle plaat van The Cure, en dus wordt maar eventjes de helft van de plaat gespeeld.
Hits als 'A Night Like This', 'In Between Days', 'Just Like Heaven', 'Close To Me' en 'A Forest' kwamen uiteraard aan bod, naast minder vanzelfsprekende nummers als 'If Only Tonight We Could Sleep' en 'Burn'. Wat wel betreurenswaardig is, is dat - in tegenstelling tot het concert van twee weken geleden onder de naam CURÆTION-25 - niet alle platen aan bod kwamen. Er werd meer bepaald helemaal niets gespeeld uit donkere meesterwerken als 'Faith' en 'Pornography'.
Het optreden ging exact twee dagen voor de twintigste verjaardag van het allereerste optreden onder de naam 'The Cure' door. Op 9 juli 1978 kortte The Easy Cure - de naam was een suggestie van toenmalig drummer Lol Tolhurst - zijn naam af tot The Cure. Daarom werd afgesloten met een hele resem nummers uit die prille begindagen: 'Boys Don't Cry', 'Jumping Someone Else's Train', 'Grinding Halt', '10:15 Saturday Night' en uiteindelijk 'Killing An Arab'. Dat het laatste nummer 40 jaar geleden als single uitkwam was de concrete aanleiding om dit jaar de verjaardag van The Cure te vieren, en in deze dagen van terug oprukkend racisme is het misschien nodig om eraan te herinneren dat dit nummer geen oproep is om Arabieren te doden, maar een literaire verwijzing naar de roman 'L'Etranger' van Albert Camus, waarin het hoofdpersonage een Arabier vermoordt.
Volgend jaar gaan we trouwens verder met de veertigste verjaardag van The Cure, want het debuut 'Three Imaginary Boys' kwam in 1979 uit. Robert Smith heeft beloofd om dan zelf wat te reizen, in plaats van ons allemaal naar Londen te doen komen. We hopen op een tussenstop in België, en dan zien we elkaar daar.
Setlist:
Plainsong
Pictures of You
High
A Night Like This
The Walk
The End of the World
Lovesong
Push
In Between Days
Just Like Heaven
If Only Tonight We Could Sleep
Play for Today
A Forest
Shake Dog Shake
Burn
Fascination Street
Never Enough
From the Edge of the Deep Green Sea
Disintegration
Bis:
Lullaby
The Caterpillar
Friday I’m in Love
Close to Me
Why Can’t I Be You?
Boys Don’t Cry
Jumping Someone Else’s Train (First time since 2011)
Binnen een week - op zaterdag 7 juli - zal The Cure zijn 40ste verjaardag vieren met een uitverkocht concert in Hyde Park. Verleden zondag waren ze te gast als afsluiter van het Meltdown Festival dat dit jaar gecureerd werd door Robert Smith zelve. Onder de naam CURÆTION-25 weliswaar, want het was wijd en zijd aangekondigd dat The Cure in 2018 slechts één keer zou optreden, en dat is dus volgende week in Hyde Park.
Robert Smith heeft ook aangekondigt dat Hyde Park 'met de handjes in de lucht' zou zijn, terwijl hij met CURÆTION-25 een meer duistere toer op zou gaan. Er zouden ook speciale gasten uitgenodigd zijn en er zouden speciale versies van nummers uitgevoerd worden. Robert Smith blijkt zijn reputatie als onverbeterbaar leugenaar weer alle eer aangedaan, want niets daarvan bleek te kloppen.
CURÆTION-25 bleek gewoon The Cure te zijn, er waren geen speciale gasten en alle nummers die verleden week gespeeld werden hebben we al eerder op andere optredens van The Cure gehoord. Maar vooraleer u denkt dat we oude knorpotten zijn - nu goed, ook dat hoort een beetje bij het Cure-fandom - voegen we er wel aan toe dat het een fenomenaal concert werd waarin The Cure zijn hele geschiedenis overlopen heeft. Twee keer zelfs, één keer in chronologische en één keer in omgekeerd chronologische volgorde. En hoewel de set een paar van de onvermijdelijke hits bevat, zul je er volgende week waarschijnlijk nog meer horen in Hyde Park.
Het hele optreden van CURÆTION-25 is trouwens te bezichtigen op YouTube, en we kunnen het alleen maar aanraden. Klik hier voor deel 1 - dat de toepasselijke naam 'from there to here' kreeg - en klik hier voor deel 2, met de naam 'from here to there'. (xk)
Hoe is The Cure kunnen uitgroeien tot zo’n wereldwijd succes? De vraag werd in het verleden vaak gesteld. Wellicht is het succes zo vanzelfsprekend geworden, en het publiek zo alledaags, dat weinigen het zich nog afvragen. In de jaren 80 en 90 was The Cure immers de topgroep van een alternatieve beweging, waar het tegenwoordig mainstream geworden is om naar The Cure te luisteren.
Gisteren verkocht The Cure nog maar eens het Sportpaleis in Antwerpen uit, en het was niet zo vanzelfsprekend om de zwarte zielen, die vroeger op hun eentje een Cure-concert de moeite waard maakten, te ontwaren in het publiek.
Er is echter een tijd geweest dat de mainstream neerkeek op The Cure en zijn publiek, die als depressieve en apathische pubers werden aanschouwd. ‘Cure-fans worden vaak afgeschilderd als jongeren die zich op de rand van hun bed zitten afvragen wat ze op deze planeet lopen te doen’, zo gaf Robert Smith destijds zelf in een interview toe. ‘En dan, wat is daar mis mee?’, voegde hij eraan toe, waarmee hij mijn eeuwig respect en sympathie - voor de zoveelste keer - veroverde.
Horden existentiële jongeren in lange zwarte jassen en met wild gecrepeerde haren snelden zich naar elke plek waar de groep speelde. Dat uiterlijk was veel meer dan het kopiëren van je jeugdidolen, zoals het soms afgeschilderd werd. Natuurlijk maakte The Cure handig gebruik van het new wave-imago, maar het uiterlijk bestond al en stond voor een veel bredere beweging dan enkel deze ene groep. Ook Bauhaus, Xmal Deutschland en talrijke andere wavegroepen hadden een soortgelijk uiterlijk.
Toen The Cure midden jaren 80 richting pop evolueerde, zag men een meer uitgekiende strategie rond het imago, waarbij de hele groep in grijze kostuums optrad. Dit werd evenwel nooit gekopieerd door de fans.
De talrijke opkomst van Cure-fans leidde soms tot incidenten met extreemrechtse skinheads, zoals in 1991 in Leipzig. Want new wave stond op gespannen voet met skinheads. Ze waren er ook zowat elkaars antipode, de kortharige, conformistische en agressieve skin, en de passieve, teruggetrokken en nihilistische waver. Ook metalheads hadden het niet zo hoog op met 'zwartzakken' of 'planten'. Met de punks waren de relaties wellicht het best, al bestond ook hier het Freudiaanse concept van 'het narcisme van de kleine verschillen'.
The Cure had enerzijds een buitengewoon alternatief imago met extreem uiterlijk, en anderzijds een dromerig, introvert en knuffelbaar imago. Het was een groep voor jongeren die gekweld zaten met existentiële vragen, die tegendraads maar niet agressief waren. Een combinatie van het rebelse van de punk met de ingetogenheid van de hippies.
In de beginjaren, en zeker tijdens de trilogie Seventeen Seconds - Faith - Pornography, bouwde de groep een compromisloos zwart imago op, maar later zouden ze zich toch laten meeslepen in het commerciële circuit. Het heeft zeker bijgedragen tot hun succes, want voor iedereen die geïnteresseerd was in new wave en donkere muziek, was The Cure - zichtbaar als ze waren in de media - een vanzelfsprekende eerste stap.
Het uitdagende en controversiële kantje is er intussen af. Waar The Cure vroeger garant stond voor hoog oplaaiende discussies tussen voor- en tegenstanders, is er thans quasi unanimiteit over de kwaliteiten van de groep. De groep zal wellicht ook de geschiedenis ingaan als één van de roergangers van de new wave, en terecht. Voor velen is een optreden van The Cure intussen een gezellig avondje uit om een klassieker uit de rockmuziek te aanschouwen, een stukje jaren 80-nostalgie.
In een vorig leven zorgde The Cure voor de internationale doorbraak van The Cranes door hen mee te nemen op tournee. Tegenwoordig spelen ze op veilig met The Twilight Sad, een Britse postpunkgroep waarvan tegenwoordig een overaanbod bestaat en die beter tot zijn recht zou komen in een meer intieme omgeving.
Een intieme zaal zit er voor The Cure niet meer in, maar dat blijft een verrassend gegeven. Toen The Cure in 1976 het levenslicht zag in Crawley, was de uitgesproken wens van Robert Smith om een alternatief te vinden voor een betaalde baan. Smith gaf de ambtenaren in de plaatselijke werkloosheidsdienst zelfs het advies om de jobs te geven aan mensen die echt wilden werken. Op de repliek dat hij toch moest werken antwoordde hij verontwaardigd ‘waarom dan?’ Zijn eerste liedjes schreef Smith dus niet omdat hij een innerlijke nood had om zich creatief te uiten, maar wel om een bestaan te kunnen opbouwen zonder baan.
We hadden eerder opgemerkt dat The Cure live vaak sets speelt die opgebouwd zijn rond hun twee grootste commerciële successen: Disintegration (1989) en Wish (1992). Maar The Cure wil niet voorspelbaar zijn, en start de avond deze keer met ‘Shake Dog Shake’, de opener van hun meest experimentele plaat The Top uit 1984. Er zouden nog meer verrassingen in de show zitten, die grotendeels uit materiaal uit de jaren 80 bestond, aangevuld met een paar uitstapjes naar de jaren 90 en twee nieuwe nummers.
‘Fascination Street’ komt wel uit Disintegration, en hoewel Reeves Gabrels - de voormalige Bowie-gitarist die sinds 2012 bij The Cure speelt - de intro verknalt door eventjes de gitaarmacho uit te hangen, ziet dit er goed uit. Als daarna ‘A Night Like This’ weerklinkt, is voor mij de avond reeds geslaagd.
‘A Night Like This’ is afkomstig van The Head On The Door, de plaat die The Cure in 1985 echt de weg van de pop zag ingaan. (Het nummer is gebaseerd op een heel vroeg nummer uit de jaren 70, net zoals opener ‘Shake Dog Shake’ trouwens.) The Head On The Door staat vanavond in de kijker, want de helft van de plaat wordt gespeeld, inclusief de grote hit ‘Inbetween Days’, de sublieme rocker ‘Push’, het heerlijk tegendraadse ‘Close To Me’ en als kers op de taart het melancholische ‘Sinking’.
Op de achtergrond kleuren vijf grote schermen het optreden in. Doorgaans ziet men er de vijf groepsleden, die elk een scherm toegewezen kregen. Het lukt aardig, want de groepsleden van The Cure zijn behoorlijk statisch, op eentje na. Bassist Simon Gallup hotst als vanouds het hele podium af, zodat zijn scherm regelmatig leeg blijft. Gallup ziet er op 56 jaar nog steeds als een coole punker uit, zodat je niet te veel het gevoel hebt naar vijf oude mannen te kijken.
De plaat The Head On The Door werd opgevolgd door Kiss Me Kiss Me Kiss Me in 1987 - intussen was The Cure ook in de Verenigde Staten doorgebroken dankzij de compilatie Staring At The Sea (1986) - waarop Smith zijn status als popster helemaal uitspeelt. Het resultaat was een overladen en halfslachtige plaat waarop afgrijselijke dingen staan als ‘Hot Hot Hot’ en ‘Why Can’t I Be You’ - die allebei de revue passeren in de laatste bisronde - maar ook perfecte popnummers als het obligate ‘Just Like Heaven’. De verrassing zat hier in ‘All I Want’, een bijna vergeten pareltje waarop Gabrels weer eens de gitaren laat loeien.
Waar ik me af en toe gestoord heb aan het gitaarmachismo van Gabrels, moet ik wel toegeven dat zijn gierende gitaren een absolute meerwaarde zijn op nummers als ‘Give Me It’ - dat de hoofdset mag afsluiten - ‘Never Enough’, 'Wrong Number' of nog ‘Burn’, dat The Cure oorspronkelijk voor de geluidsband van The Crow opnam en waarbij Smith een intro op blokfluit ten beste geeft.
De status van popster zat Smith destijds niet gemakkelijk, en eind jaren 80 verzonk hij in drugs en depressie. Dat resulteerde in het erg melancholische Disintegration, een plaat die werd uitgegeven ondanks de waarschuwingen van het platenlabel dat het een commerciële flop zou worden. Het tegendeel was waar: de plaat werd het grootste commerciële succes van The Cure, en heeft wellicht het nodige gedaan om The Cure definitief als klassieker te classificeren, wat misschien niet was gelukt indien de groep verder popdeuntjes was blijven schrijven. Disintegration komt dan ook meermaals aan bod met hoogvliegers als ‘Pictures of You’, ‘Lullaby’ en het fantastische ‘Lovesong’ (een grote hit in de VS).
Het duurt een paar jaar vooraleer The Cure met een opvolger op de proppen komt, en dat wordt Wish uit 1992. De plaat is meer gitaargericht en surft nog voort op het succes van Disintegration. Hits als ‘High’ en vooral ‘Friday I’m In Love’ komen uit die plaat, maar ook het meer uitgestrekte ‘From The Edge Of The Deep Green Sea’.
Opnieuw neemt een volgende plaat een paar jaar in beslag. Het onvolprezen ‘Wild Mood Swings’ uit 1996 grijpt terug naar het experiment van The Top. Humo had het wellicht bij het rechte eind toen het schreef dat de plaat volledig geslaagd zou zijn als er wat minder nummers op zouden staan. ‘Want’ is een relatief klassiek Cure-nummer, maar het is vooral het heerlijke ‘Jupiter Crash’ dat menigeen nog eens naar de plaat zal doen grijpen na deze avond.
Uit het nieuwe millennium wordt niets gespeeld, behalve twee gloednieuwe nummers die elk één van de twee eerste bisrondes mochten openen. ‘It Can Never Be The Same’ - opgedragen aan Leonard Cohen - maakt het meeste indruk op mij. Het grijpt terug naar de sfeer van Disintegration. ‘Step Into The Light’ is dan weer een poging om een vrolijk popnummer te schrijven. Eigenlijk staan de laatste platen van The Cure vol met dergelijke nummers. Ik ben doorgaans erg kritisch voor deze platen, maar ik heb ze gisteren nog eens beluisterd en heb besloten dat ze behalve een aantal tenenkrullende momenten ook steeds een paar goede nummers bevatten.
Wat dan met nummers van voor 1984? Die zijn niet zo talrijk. Vooral het feit dat enkel ‘One Hundred Years’ gespeeld werd uit Pornography, zal een aantal grote fans teleurstellen. Robert Smith heeft nochtans vaak genoeg gesteld dat dit ‘dagboek uit zijn zwartste dagen’ tot zijn absolute favorieten hoort. Uit Faith wordt zelfs helemaal niets gespeeld.
Wel horen we ‘The Walk’, de single waarmee Smith - na de split die tijdens de Pornography-tour plaatsvond - de terugkeer van The Cure aankondigde, en waarmee hij de vloer aanveegde met zijn zwarte en depressieve imago. Een absolute verrassing is de aanwezigheid van ‘Lovecats’ in de set. Ik had dit nummer nog nooit live gehoord, en The Cure klinkt er bijna als een jazzgroep op. Hier toont toetsenist Roger O’Donnell dat hij ook veel beter kan spelen dan wat The Cure nodig heeft, maar dat hij het niet nodig vindt om daar overdreven mee te pochen.
In de bisnummers liet de groep ook de obligate hits ‘Boys Don’t Cry’ en uiteraard een uitgestrekte versie van ‘A Forest’ op het reeds veroverde publiek los, kwestie van de vele hits van de groep er diep in te wrijven. Jukebox The Cure heeft zijn werk gedaan, en om eerlijk te zijn moet je al een serieuze kloot zijn om na 30 nummers en meer dan twee en half uur uitmuntende muziek te gaan klagen dat je favoriete liedje er niet tussen zat. The Cure was zonder meer fantastisch, en een optreden van hen blijft voor deze trouwe fan een hoogmis die hij niet mag missen.
Setlist: Shake Dog Shake / Fascination Street / A Night Like This / All I Want / The Walk / Push / In Between Days / Sinking / Pictures of You / High / Lovesong / Just Like Heaven / Jupiter Crash / From the Edge of the Deep Green Sea / One Hundred Years / Give Me It
Bis 1: It Can Never Be the Same / Burn / A Forest
Bis 2: Step Into the Light / Want / Never Enough / Wrong Number
Bis 3: The Lovecats / Lullaby / Hot Hot Hot!!! / Friday I’m in Love / Boys Don’t Cry / Close to Me / Why Can’t I Be You?
‘Ik wist dat ik iets moest schrijven. Niet gewoon het verhaal van de groep, maar het verhaal van een bevrijding.’ We starten waar het opmerkelijke boek van Lol Tolhurst, stichtend lid van The Cure, eindigt. Al op de eerste pagina waarschuwt Tolhurst dat zijn boek niet zomaar zijn autobiografie is. Het zijn zijn memoires, zijn versie van de feiten.
Ik vroeg me bij het openen van het boek af of het iets wezenlijk zou bijbrengen aan wat we al weten over The Cure, vooral in de wetenschap dat Tolhurts al de voornaamste bron was van biografieën als ‘Never Enough. The story of The Cure’ door Jeff Apter, een goed boek dat evenwel meer op het popfenomeen Cure focust, met enig onbegrip voor de meer donkere kant van de groep.
Ik zat er ver naast. Met ‘Cured. The story of two imaginary boys’ heeft Tolhurst voor een heel andere invalshoek gekozen. Het is een heel persoonlijk verhaal geworden, dat start met de eerste ontmoeting tussen Tolhurst en Robert Smith, toen ze als vijfjarige kleuters dezelfde bus moesten nemen naar een katholieke school in Crawley.
Het boek is onderverdeeld in drie delen. Het eerste deel wordt volledig besteed aan de kindertijd van Tolhurst en Smith, inclusief de eerste muzikale stappen, optredens en opnames, tot aan het contract met Fiction dat de leden de mogelijkheid gaf om professionele muzikanten te worden en platen uit te brengen. Hier horen de nodige anekdotes bij over het uitgaansleven, de eerste liefjes, de manier waarop het extravagante trio Smith-Tolhurst-Dempsey het moest ontgelden bij meer conformistische jongeren en extreemrechtse skinheads, et cetera.
In het tweede en meest omvangrijke deel vertelt Tolhurst over zijn ervaringen in The Cure. Zijn relaas is grotendeels persoonlijk, en bevat natuurlijk de beruchte episodes, zoals die nacht waarop Tolhurst op een zatte avond in alle haast in een badkamer liep en per ongeluk op het been van Billy Idol piste, net toen deze de liefde ging bedrijven met een groupie. Of de avond waarop Robert Smith en Simon Gallup met elkaar op de vuist gingen en zo een eind maakten aan het succesvolle trio, in de tournee die volgde op 'Pornography'.
Als Smith Tolhurst later contacteert om de groep als duo verder te zetten, neemt het verhaal een heel andere wending. Het is nog steeds het verhaal van Tolhurst in The Cure, maar het accent ligt meer en meer op een ander facet van de man in de groep, een uitermate destructief aspect dat uiteindelijk tot het vertrek van de schrijver zal leiden: Tolhursts steeds driester wordende alcoholverslaving.
Eigenlijk liep alcohol reeds als een rode draad door het boek. Het begint met de alcoholverslaving van Tolhursts vader, een reden waarom Tolhurst noch zijn familie ooit vrienden of kennissen bij hen thuis uitnodigden. De kinderen hadden geleerd hun vader te ontwijken, zeker als hij gedronken had. Tolhurst vertelt ook over zijn eerste glazen op een feestje van zijn broer, en hoe deze dezelfde nacht al leidden tot zijn eerste blackout.
Tolhurst was - net als de andere leden van The Cure - een hevig drinker, maar na ‘The Top’ en zeker ‘The Head On The Door’ was de zaak volledig uit de hand gelopen en hinderde zijn verslaving zijn creatieve inbreng op ernstige wijze. Er volgen heel wat anekdotes over dronken nachten, ongevallen of zelfs arrestaties.
Tolhurst vertelt hoe Porl Thompson tijdens de opnames van ‘Kiss Me Kiss Me Kiss Me’ naast hem kwam zitten en hem vertelde dat niemand hem kwalijk zou nemen indien hij professionele hulp zou opzoeken. Tolhurst bleef het probleem echter wegwuiven en dacht dat hij het zelf ging kunnen overwinnen.
Het is intussen bij iedereen bekend dat Tolhurst bijna niets bijdroeg aan ‘Disintegration’. Na de opnames van de plaat - die Tolhurst in het bijzijn van de hele groep afbrak, misschien omwille van het besef dat hij er te weinig aan had bijgedragen - stelde de vraag zich of Tolhurst mee op tournee kon. De spanningen in de groep waren al hoog opgelopen, en uiteindelijk nam Robert Smith de onvermijdelijke beslissing: Tolhurst aan de deur zetten.
Daar begint het derde deel van het boek. Tolhurst laat zich opnemen en bevrijdt zichzelf van de alcohol. Hij blijft evenwel afgunstig en revanchistisch. Hoewel The Cure hem ongelooflijk rijk heeft gemaakt, daagt hij de groep voor de rechtbank over auteursrechten. Een zaak die hij smadelijk verliest, waarna hij ook scheidt van zijn vrouw en kind. Tolhurst zit helemaal aan de grond, en heeft een tijdlang geen vaste woonplaats meer. Hij logeert bij vrienden en is al zijn geld kwijt.
Om zich uit de negatieve spiraal te trekken, zondert hij zich een tijd af in de woestijn. Het wordt een keerpunt waarna hij zijn leven terug opbouwt. Hij vindt een nieuwe partner waarmee hij na verloop van tijd muziek begint te maken onder de naam Levinhurst. In 2000 verzoent hij zich met Robert Smith en The Cure, en in 2011 speelt hij zelfs een aantal keren met The Cure in de ‘Reflections-tour’. Het boek eindigt dan ook positief, en dat is bewust gedaan.
Lol Tolhurst heeft Robert Smith een kopie gegeven van dit boek. ‘Ik weet dat ik al van hem gehoord zou hebben indien hij het niet goed zou vinden.’ Het dient gezegd te worden dat Tolhurst erg vriendelijk blijft voor zijn voormalige medemuzikanten. Er staat werkelijk geen negatief woord over hen in het boek. Tolhurst vermeldt niet eens dat Simon Gallup een paar jaar na zijn vertrek uit The Cure ook opgenomen moest worden om zijn drankverslaving, wat in deze context toch wel interessant was geweest.
Hij zegt wel dat er soms gevochten werd bij The Cure, iets wat wellicht niet past bij het imago van de groep bij het grote publiek. In de begindagen wilden de groepsleden wel eens het publiek in springen om af te rekenen met lastige mensen in het publiek. (Het waren de hoogdagen van de punk, nietwaar.) Dat Tolhurst binnen de groep vaak de uitlaatklep was voor frustratie en agressie van anderen, houdt hij weer voor zich.
Tolhurst is erg streng voor zichzelf en durft gerust beschamende dingen toe te geven. Toch heeft hij niet de moed om heel diep in te gaan op het proces tegen The Cure. (Of zou hij tegen het einde van het boek gewoon minder nauwkeurig te werk zijn gegaan?) Zo klopt het niet dat Tolhurst hetzelfde verdiende als de andere groepsleden in The Cure zoals in het boek staat. Hij verdiende als stichtend lid aanzienlijk meer dan de rest - op Robert Smith na, uiteraard - terwijl zijn inbreng veel kleiner was. Dit is misschien de reden waarom Tolhurst het ‘memoires’ noemt en geen autobiografie.
Wat het boek zeker uitzonderlijk maakt, is de openheid waarmee Tolhurst praat over zijn alcoholverslaving. Wat voor de ene vooral een razend interessant boek zal zijn over The Cure, zal voor anderen ook het verhaal zijn van een succesvol leven dat vernield werd door alcohol, en dan van schroot terug moest opgebouwd worden. Het samengaan van beiden maakt dit boek dubbel aanbevelenswaardig.
Iedere Cure-fan kent Laurence Tolhurst, het stichtend lid van The Cure dat in de jaren 80 onafscheidelijk met de groep verbonden was. Tolhurst stond mee aan de wieg van The Cure in 1976 en speelde een erg belangrijke rol in de begindagen als drummer. Hij schreef mee aan platen als Three Imaginary Boys, Seventeen Seconds, Faith en Pornography. Zijn herkenbare drumstijl bepaalde mee het geluid van de donkerste dagen van The Cure. Na Pornography ging de groep even uit elkaar, maar Robert Smith en Tolhurst herstartten de groep even later als een meer elektronisch duo. Tolhurst had het moeilijk om de drumpartijen te blijven spelen en schakelde over naar toetsen. Zijn bijdrage werd kleiner, want Smith nam bijna het volledige creatieve deel voor zijn rekening, ook toen de groep vanaf 1985 uitbreidde en een wereldwijd succes werd.
Tolhurst zonk weg in alcohol en drugs, in die mate zelfs dat hij in 1989 - na de opnames voor Disintegration, waarop hij ondanks zijn beperkte bijdrage alsnog werd vermeld als co-auteur - uit de groep gezet werd. (The Cure staat niet bekend als een straight-edge groep waarin drank en drugs taboe zijn, dus u moet zich maar even proberen indenken welke hoeveelheden de man destijds moest consumeren.) Er volgde een proces over auteursrechten waarin Smith toegaf dat hij op het podium over een pedaal beschikte waarmee hij Tolhursts toetsenbord uit de mix kon halen als deze laatste te vals speelde. Tolhurst verloor het proces. Toch hebben Smith en Tolhurst zich jaren nadien verzoend en stond Tolhurst in 2011 zelfs een paar keer terug op de planken met The Cure (zie video).
Het boek belooft een hoop aan informatie te bevatten over hoe het er achter de schermen aan toe ging in The Cure, en zal dus gretig aftrek vinden bij de miljoenen Cure-fans over de hele wereld. Die gaan evenwel nog wat geduld moeten uitoefenen, want het boek komt pas uit op 11 oktober 2016. (xk)
Ik ga jullie iets vertellen dat wellicht verrassend is in een bespreking van dit meesterwerk van The Cure. Pornography was de eerste plaat die ik van The Cure hoorde, en ik hield er aanvankelijk niet van. Ik was twaalf jaar, net in het middelbaar, en ik vond die new wavers op school erg cool. Hun zwarte kleren en gecrepeerde haren gaven zo goed weer hoe ik me als existentiële puber voelde.
Uit hun T-shirts kon ik afleiden dat The Cure de grote groep was waar zij naar luisterden, en ik had het geluk dat ik een vriend had die ook fan was. Hij kende The Cure via zijn grote broer, en was zo vriendelijk om niet minder dan 7 platen op cassette op te nemen voor mij. De eerste cassette startte meteen met de slagzin ‘it doesn’t matter if we all die’. Ik was een negativist en doemdenker die de hele conformistische klotenmaatschappij verwierp, maar dit vond ik er toch wel echt over.
Mijn favorieten waren toen Three Imaginary Boys en The Top. De tweede vind ik nog steeds één van de beste Cure-platen ooit, naar de eerste luister ik nooit meer. Het heeft een paar jaar geduurd waarin ik steeds dieper in negativiteit en zelfbeklag wegzonk opdat ik Pornography naar waarde kon schatten, en dat betekent: als één van de donkerste platen ooit en een mijlpaal in de rockmuziek.
Pornography was het sluitstuk van de trilogie die met het melancholische Seventeen Seconds begon en verder ging in het erg sombere maar wondermooie Faith. Dat het nog donkerder kon bewees de single Charlotte Sometimes, maar zo pikzwart als Pornography, dat had niemand kunnen denken. Robert Smith was ten tijde van Pornography zwaar depressief en volledig verloren aan drugs. Wie de plaat beluistert zal niet verwonderd zijn dat Smith diverse drugs als zijn voornaamste inspiratiebron voor de teksten citeert.
Smith zegt ook dat hij ‘the ultimate fuck off album’ wou maken. En zo speelde hij op Short Time Effect met een combinatie van effecten die geen zinnig mens ooit zou gebruiken en die zijn gitaar als een rottende cello deed klinken. Het protest van producer Phil Tornalley haalde niets uit, het nummer zou zo op de plaat verschijnen.
De strategie van Smith bleek aanvankelijk te slagen. Critici waren niet te spreken over de plaat. Rolling Stone schreef dat Pornography ‘het orale equivalent van kiespijn’ is: ‘het is niet de pijn die irriteert, het is de constante saaiheid’. De plaat was duidelijk geen pop, en Chris Parry van Fiction Records koos The Hanging Garden uit als single, omdat hij dit als het enige nummer beschouwde dat nog enig hitpotentieel had. De groepsleden - intussen gesplit na een jammerlijk verlopen tour - lieten hun misprijzen voor deze keuze luidop kennen.
En toch verkocht Pornography goed. Het was zelfs de eerste plaat van de groep die in de top 10 belandde in het Verenigd Koninkrijk. The Cure had duidelijk een gevoelige snaar geraakt, toch bij een select groepje mensen. Want nummers als ‘Siamese Twins’, ‘The Figurehead’ en ‘Cold’ zijn een zware dobber, die niets aan intensiteit hebben verloren gedurende de jaren. Wellicht zullen heel wat mensen zich nog steeds haasten om deze beklemmende herrie uit te zetten. En toch prijkt de plaat jaar na jaar in tijdloze honderds en andere lijstjes. Want nummers als ‘One Hundred Years’ en ‘A Strange Day’ zijn ondanks hun zwartgalligheid erg geschikt voor de radio.
Pornography bleek echter een zware beproeving voor de groep. Smith was erg egocentrisch en bracht - tot grote ergernis van de rest van de groep - veel tijd door met Steve Severin van Siouxie and the Banshees. Het excessief gebruik van drank en drugs maakte de zaak er niet eenvoudiger op. De bom barstte toen The Cure op tournee ging. Bassist Simon Gallup leefde op gespannen voet met Smith - ‘we konden elkaar niet meer rieken, maar dat maakte onze concerten net zo goed’ - en reageerde zich af op drummer Laurence Tolhurst. Gallup ging het liefst om met de ruwe roadies die de groep begeleidden.
Het geheel ontaarde in een werkelijk agressieve sfeer toen de groep het Europese vasteland bereikte. Na een concert in Straatburg gingen Smith en Gallup zelfs met elkaar op de vuist, omwille van een banale ruzie over al dan niet betaalde drankjes. Tolhurst kon de volgende dag alleen maar vaststellen dat de twee heren hun biezen hadden gepakt en terug naar huis waren gekeerd, alwaar Smith een donderpreek van zijn vader moest verduren. Die wees erop dat mensen betaald hadden om de groep te zien, en maande zoonlief aan om terug te keren. Smith en Gallup gingen dus braaf terug en werkten de tour af vooraleer ze uit elkaar gingen.
Het leek er even op dat The Cure geschiedenis was. Smith had intussen terug een betrekking als gitarist gevonden bij Siouxie and the Banshees, waarin hij in de begindagen ook al had gespeeld toen hun gitarist wegviel. (The Cure was toen het voorprogramma voor Siouxie, en Smith speelde dus elke dag twee optredens.) Chris Parry - erg verveeld met het wegvallen van zijn meest succesvolle groep - wist Smith evenwel te overtuigen om een nieuwe draai te geven aan The Cure, en wat volgde waren lichtvoetige popnummers als ‘Let’s Go To Bed’ en ‘The Lovecats’. Een radicale breuk met het suïcidale imago die de groep voordien had. The Cure zou verder in de richting van pop evolueren - goede pop, welteverstaan - en een massale aanhang ontwikkelen.
Pornography blijft echter één van de lievelingsplaten van Smith zelf en van velen van zijn talrijke bewonderaars. Smith zei dat het een dagboek was van zijn allerdonkerste periode, een periode waarin hij slechts twee keuzes had: zelfmoord plegen of het allemaal van zich afschrijven. En als Pornography een legendarische openingszin had, dan moest het ook een prachtig slot hebben. ‘I must fight this sickness, find a cure!’, luidt het op het einde van de plaat. Zou het kunnen dat er toch nog een sprankeltje hoop is, daar in de allerverste verte?
Dat Robert Smith geen fan was van de Britse monarchie, vermoedden we
al langer. Naar aanleiding van het diamanten ambtsjubileum van koningin
Elizabeth liet hij zich al een gitaar toemeten met het opschrift '2012:
citizens not subject', die een prominente rol krijgt in de huidige
Cure-tournee. Voor de slechte verstaander liet hij zich in een interview
met een Franse televisiezender ontvallen over het koningshuis: 'Elke
vorm van erfelijke privilege is fout. Het is niet enkel
antidemocratisch, het is een systeem dat intrinsiek slecht is. Ze hebben
nooit iets gedaan. Fucking idiots.' Het interview biedt nog meer
inzichten in het gedachtengoed van Smith. Wees gerust, hij heeft noch
steeds een hekel aan alles en iedereen. Je kan het hieronder volledig
bekijken, maar het leukste willen we u zeker niet onthouden. 'Is The
Cure een religie? Absoluut niet! Als het een religie was, zou ik het
niet doen. Ik haat religie.'
Het is voor mij de tweede keer dat ik naar Werchter afzak voor het
grootste festival van het land. De eerste keer was in 1995. En raad eens
wie er toen op de affiche stond? The Cure natuurlijk! Het optreden was
toen geweldig, maar de zo bewierookte ‘sfeer’ van het megafestival
beviel me minder. In 2004 kocht ik nog eens een kaartje omdat David
Bowie aangekondigd werd, maar ik verkocht het de dag zelf toen deze
afzegde. Om maar te zeggen, Schueremans moet met overtuigende namen
afkomen vooraleer ik me naar zijn festival begeef.
Aangezien ik toch de volle 85 euro betaald heb om aanwezig te mogen
zijn, zorg ik dat ik mooi om half drie aan de inkom sta. Enkel om vast
te stellen dat ik nog steeds niet moet hebben van dergelijke
massabedoeningen. Het is drie kwartier aanschuiven om binnen te komen.
Zelfs de meest luidruchtige festivalgangers, die al zingend, lachend en
bier drinkend in de rij aansluiten, zingen op het eind van de rit een
toontje lager.
Werchtergangers zijn doorgaans pubers die hun examens achter de rug
hebben of ouderen die zich nog eens jong willen voelen. De vrouwen
dragen korte (bikini)topjes en reageren uitbundig op alles wat ze zien.
De mannen lopen dan weer in ontbloot bovenlijf rond of met een t-shirt
waarmee ze opscheppen over hun drink- en bedprestaties. Ze versmaden het
evenmin om met een debiele rode hoed rond te lopen die ze gekregen
hebben aan de Jupilerstand, dat ondanks de hevige concurrentie met
voorsprong de meest irritante festivalstand is op de weide.
Vroeger was het op een optreden van The Cure echt uitkijken naar het
publiek. De optocht aan lange zwarte jassen en gecrepeerde haren maakt
vandaag helaas geen deel meer uit van de show. Ook ik hoor bij de
generatie die vroeger zijn haar hoog opstak. Toen ik als zestienjarige
over het straat liep hoorde ik regelmatig opmerkingen als ‘kijk, dat is
ene die in The Cure speelt’ of ‘die denkt dat em Robert Smith is’. Ik
rouw nog steeds om het verdwijnen van dit kapsel uit het straatbeeld.
Maar gaandeweg heb ook ik de haarlak laten varen. Al draag ik wel nog
steeds het zwart dat me het beste past.
Kledij en kapsel gingen veel verder dan de idolatrie van één enkele
groep of persoon. Heel jong al was ik gefascineerd door diegenen die
zich afzetten tegen het afstompend conformisme van onze samenleving. De
punkers vond ik best wel cool, maar iets te agressief en sloganesk naar
mijn smaak. De zwartzakken – planten werden ze ook wel genoemd – waren
zichtbaar meer introvert en bedachtzamer, eigenschappen die ook op mij
van toepassing waren. Aan de hand van hun t-shirts wist ik af te leiden
dat The Cure hun groep was, en ik vroeg een klasgenoot om me eens wat op
cassette op te nemen (in die tijd werd er nog niet gedownload of
gebrand).
Toen ik de cassetjes voor het eerst hoorde viel ik achterover. ‘It
doesn’t matter if we all die’, was zowaar de eerste zin die door mijn
luidsprekers schalde. Nu was ik zelf ook niet de meest vrolijke jonge
knaap, maar hier had ik meteen mijn twijfels bij. 'Zo erg is het nu ook
weer niet.' Ondertussen – na 10.000 luisterbeurten – zijn dergelijke
nummers deel van mijn leven geworden. Ik was ook gecharmeerd door de
persoon van Robert Smith, iemand die een alternatieve en
nonconformistische filosofie incarneerde zonder te vervallen in het
machismo van metallers en punks.
‘I really don’t know what I’m doing here, I really think I should have
gone to bed tonight’ is ook een openingszin die kan tellen. Probeert
Smith met deze Open(er) het Werchterpubliek een subtiele hint te geven?
Wellicht niet, want onmiddellijk erna krijgen we High voorgeschoteld.
Met The End Of the World tast hij even het geduld van het publiek af,
maar dan ontpopt The Cure zich tot een ware jukebox die de ene hit na de
andere speelt: Lovesong, Push, Inbetween Days…
De bezetting van de groep is alweer veranderd sinds het fantastische laatste optreden in ons land, in het Sportpaleis
van Antwerpen. Roger O’Donnell mag de groep weer bijtreden op toetsen.
Ik heb nooit begrepen waarom deze man tot twee keer toe uit de groep
werd gezet, maar het doet vermoeden dat de personeelswissels in The Cure
vaker het gevolg zijn van persoonlijke conflicten dan van muzikale
criteria. Ook het verdwijnen van Porl Thompson – waarvan u een
gedetailleerd relaas vindt in Yves Boones prachtige bespreking van het optreden op Pinkpop
– doet dergelijke twijfels rijzen.
Hij wordt vervangen door Reeves
Gabrels, die zijn pluimen onder meer verdiend heeft bij David Bowie. Al
had Smith wat mij betreft een slechtere gitarist mogen uitkiezen. Ik heb
de indruk dat Gabrels een heel optreden lang probeert te bewijzen dat
hij nog veel meer kan dan wat de liedjes van The Cure voorschrijven.
Ondertussen blijft het klassiekers regenen. Just Like Heaven, Pictures
Of You, The Walk… Het meest opvallende nummer is wellicht
Bananafishbones, uit de meest experimentele plaat van The Cure: The Top.
Met nummers uit het nieuwe millennium gaat Smith behoedzaam om. We
tellen er maar drie, en vermoeden dat zelfs Smith ondertussen doorheeft
dat deze composities niet tot zijn meest glorierijke behoren. Ik denk
ook dat de groep twee festivalsets heeft: eentje dat opgebouwd is rond
Disintegration, die ze op Pinkpop gespeeld hebben, en eentje rond Wish,
die we hier te horen krijgen. Hoewel alle memorabele Cure-platen aan bod
kwamen, komt Wish duidelijk het meest uit de verf. End mag dan ook de
set afsluiten. Smith lijkt bloedserieus als hij het publiek ‘please stop
loving me’ toezingt.
Het heeft geen enkel effect. Wij blijven van hem houden! Aan het begin
van de bisnummers prevelt Smith zelfs iets in de microfoon. Hoogst
ongewoon voor een man die een heel optreden lang enkel naar de grond of
de hemel heeft zitten staren en de interactie met het publiek doorgaans
tot een ‘thanks’ aan het einde van elk nummer beperkt houdt. Hoe dan ook
gaat het publiek volledig uit de bol tijdens Friday I’m In Love en Boys
Don’t Cry. Het had van mij nog veel langer mogen duren, maar ik ben
blij dat ik erbij ben geweest. Terwijl de echte Werchtergangers nog drie
dagen en vier nachten voor de boeg hebben vooraleer ze vuil en uitgeput
naar huis kunnen, maak ik me naarstig uit de voeten.
SETLIST: Tape / Open / High / The End of the World / Lovesong / Push /
Inbetween Days / Doing the Unstuck / Just Like Heaven / From the Edge of
the Deep Green Sea / Pictures of You / Lullaby / The Walk /
Bananafishbones / Play for Today / A Forest / Primary / Shake Dog Shake /
The Hungry Ghost / Wrong Number / One Hundred Years / End
Het was alweer twee jaar geleden sinds The Cure ons land aandeed. In 2006 had Robert Smith net de helft van de groep ontslagen. Ex-gitarist, jeugdvriend en schoonbroer Porl Thompson mocht de tot de kern gereduceerde groep op gitaar versterken. Op de Lokerse feesten sneed de groep dan ook vooral het hardere gitaarwerk aan. Dat het deze keer anders ging lopen, werd duidelijk toen we net voor de groep opkwam gerinkel hoorden dat wees op ‘plainsong’ als opener. Deze fenomenale klassieker werd opgevolgd door een verbluffende versie van ‘prayers for rain’. Toen we daarna nog ‘a strange day’ hoorden wisten we het zeker: dit optreden kon niet meer stuk.
Het gebrek aan synthesizers werd deze keer gecompenseerd door sequencers te gebruiken, of nog beter: door de belangrijkste stukken zo goed mogelijk op gitaar na te spelen. Deze aanpak leverde onder meer uitstekende versies op van ‘the walk’ en ‘in between days’. Gitarist Porl Thompson verdient hierbij een eervolle vermelding. Bassist Simon Gallup krijgt dat ook omdat hij als late veertiger nog steeds schaamteloos in een zwarte stretch kan rondlopen. Robert Smith kan dat al lang niet meer, maar als spil van de groep en als grandioze antiheld van de rockmuziek krijgt hij van ons sowieso niets dan lof.
We kregen ook een aantal nieuwe nummers voorgeschoteld, drie in totaal. De nieuwe cd was oorspronkelijk beloofd voor februari, maar zoals gewoonlijk zal dat een paar maanden later worden. Afgezien daarvan speelde de groep het veilig. Alle hoogtepunten vermelden zou ons te ver leiden, maar we kunnen zeker niet voorbijgaan aan ‘lovesong’, ‘to wish impossible things’, ‘pictures of you’, ‘lullaby’ en ‘from the edge of the deep green sea’. En evenmin aan ‘push’, ‘friday I’m in love’, ‘just like heaven’, ‘primary’, ‘never enough’ en ‘one hundred years’. Afsluiten deed the groep met ‘disintegration’. ‘How the end always is…’ Iedereen wist dat dit nog niet het einde was.
Verassend was dat The Cure tijdens de eerste bisronde zowat de helft van de plaat ‘seventeen seconds’ uit 1980 speelde, en bij de tweede bisronde enkel nummers die nog ouder zijn. Na een derde bisronde hield de groep het voor bekeken. De groep heeft in bijna drie uur zo’n 35 nummers gespeeld. Een hoop klassiekers, wat verassingen, en allemaal uitstekend uitgevoerd. Dit optreden kon maar één doel dienen: de fans een verbluffende avond geven die ze zich nog lang zullen herinneren. De strategie was doorzichtig, maar daarom niet minder doeltreffend. Dit was voorlopig - en misschien wel definitief - het beste concert van 2008.