maandag, februari 17, 2014

Te gek om los te lopen

De dag van de opname. Ik heb er eigenlijk naar uitgekeken. Op het moment dat ik dit schrijf is het avond en zit ik sinds twee uur vast in de psychiatrische spoedafdeling EPSI van de UZ Leuven. Ik voel me volledig ontspannen en goed. Toch is de dag anders verlopen dan verwacht. Toen ik vanochtend opstond was het eerste wat ik deed de fles cava van de vorige avond leegmaken en er een paar glazen pastis aan toevoegen. Dit is eigenlijk een gebruikelijk begin van de dag voor mij, en één van de grote argumenten waarom ik nu opgenomen ben.

Ik moet ongeveer van 7 tot 9 gedronken hebben. Tussendoor las ik het einde van het boek ‘The Rise And Fall Of The Third Reich’ van William L. Shirer, een absolute aanrader voor wie een diepgaand en gedetailleerd beeld wil krijgen van het meest hatelijke regime aller tijden. Ik heb het boek, dat ik de afgelopen tijd als een razende heb zitten lezen, ook effectief uitgekregen, en wel voor ik opgenomen werd in psychiatrie. Zoals wel vaker als ik een goed boek uit heb, heb ik spijt dat het over is.
Ik was van plan om mijn tijd in psychiatrie met lezen door te brengen, en had dus nood aan boeken die me evenzeer zouden boeien als dat van Shirer. De belangrijkste keuze had ik al eerder gemaakt: ‘The Great Terror’ van Robert Conquest. Het boek is een absolute klassieker over de terreur die Stalin over de Sovjetunie deed waaien in de jaren ’30. Ik was er al eerder aan begonnen en vond het uitstekend, maar ik ben toch ergens blijven steken. Namelijk bij het hoofdstuk over de moord op Kirov.
Kirov was een vooraanstaand bolsjewiek en medestander van Stalin. De moord op zijn persoon wordt algemeen beschouwd als de aanleiding voor de grote zuiveringen die Stalin binnen en buiten de partij ondernam. Over de moord op Kirov bestaan verschillende hypothesen. Conquest zelf is een overtuigd verdediger van de hypothese dat Stalin de moord zelf heeft opgezet als een demonisch plan om een aanleiding te hebben voor de zuiveringen die hij plande. Zelf heb ik dat altijd vergezocht gevonden, en daarom had ik een paar jaar geleden het boek over de moord op Kirov gekocht van Alla Kirilina, die probeert te bewijzen dat de moord het werk was van een geïsoleerd partijlid die wraak wou nemen omwille van een relatie van Kirov met zijn vrouw. Maar bij het lezen van het hoofdstuk van Conquest over de moord - hij zou er later trouwens een volledig boek aan wijden - moet ik toegeven dat hij een hoop zeer onderbouwde en overtuigende argumenten kan voorleggen. Ik zal mij er nog verder in verdiepen en hopelijk zelfs een artikel over schrijven dat jullie op deze blog zullen kunnen lezen.
Nu ben ik natuurlijk behoorlijk afgeweken. Wat ik wou zeggen is dat ik nog een beetje twijfel of ik even gepassioneerd zal lezen aan Conquest als aan Shirer, maar dat zullen we nog wel zien. Een tweede boek dat ik uitgekozen heb om mee te nemen was ‘Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel’ van J.M.H. Berckmans, een boek dat ik al zeker vier keer gelezen heb en dat altijd een trouwe bondgenoot is als je je wanhopig voelt. Het handelt onder meer over een ziekenhuisopname van Berckmans, en in die zin hoopte ik dat het me ook zou inspireren om zelf op te schrijven hoe mijn verblijf zou vergaan.
Om elf uur had ik een eerste gesprek met een psychologe die me, los van de psychiatrie, regelmatig opvolgt. We waren overgegaan tot een wekelijkse opvolging door een psychologe vanwege mijn erg verslechterde toestand. Eigenlijk was het nog maar mijn tweede afspraak met de dame. Net als bij het eerste gesprek werd het een ganse litanie over alles wat slecht ging: een lang aanslepende depressie, algehele uitzichtloosheid, zwarte gedachten, overmatig alcoholgebruik, slaapmedicatie… Ze merkte op dat het vreemd was dat ik wel al mijn boeken had klaargelegd, maar nog niet mijn kleren voor de volgende vijf dagen. Verder niet veel zaaks.
Op de terugweg naar huis - ik ben afgeweken van mijn oorspronkelijk plan om in het studentenrestaurant alma te gaan eten - werd ik door angst overmand, en kreeg ik zin om te drinken. Ik stopte bij een Poolse winkel waar ik al lang van plan was om ooit eens binnen te gaan om drank in te slaan. Want als er iets is waar Polen goed in zijn, dan is het toch zuipen. Ze hadden helaas geen wijn, en ik had weinig zin in bier, dus viel mijn keuze op een kleine fles wodka.
Nu weet ik ook wel dat wodka straf spul is, en had ik me dan ook voorgenomen om er met mate mee om te gaan. Niet dus, want op een half uurtje heb ik het flesje van 200 ml soldaat gemaakt. En dus heb ik er nog een glas pastis bovenop gedaan. Dit alles om de stress weg te nemen van het komende gesprek waar mijn opname van zou afhangen. Niet echt slim. Of toch, als je zeker wil zijn van opgenomen te worden.
Op dus naar het gesprek. Daar steek ik weer mijn litanie af over hoe slecht alles gaat. Ik had ook de argumenten pro en contra een opname opgesomd en heb gepleit voor mijn opname. Blijkbaar is de psychiatrisch verpleegkundige snel eens met dit voorstel. Toen riep ze er mijn psychiater bij, die me zei dat het een moedige beslissing was om me te laten opnemen. Toen ze me terug naar huis stuurden om mijn spullen te gaan halen kwam het dan: ‘en probeer niet meer te drinken voor je terugkomt’.
Ik was even overdonderd. ‘Valt het dan zo erg op?’, vroeg ik. Blijkbaar wel. Twee dagen eerder was ik bij mijn baas op het matje geroepen omdat hij gemerkt had dat ik maandagochtend onder invloed op het werk zat. Gelukkig had hij niet opgemerkt dat dit de laatste tijd bijna dagelijks gebeurde. Zo ging ik ’s ochtends voor het werk regelmatig langs de winkel, waar ik één of twee flesjes wijn kocht, die ik dan tijdens een wandeling door het dichtbij zijnde park opdronk. Hetzelfde gebeurde tijdens de middagpauzes. Het kwam zelfs voor dat ik gewoon tijdens de werkuren even mijn bureau verliet om snel naar de winkel te lopen en op de terugweg een halve liter wijn leeg te drinken. Het ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds drinken zette zich ook in het weekend door.
Natuurlijk had dit overmatig gebruik ook lichamelijke gevolgen. Ik bracht mijn avonden vaak in comateuze toestand door, waardoor ik natuurlijk bang werd voor schade aan mijn lever en zelfs aan mijn hersenen. Ik had het gevoel mijn hersenen tot moes te drinken, dat de pastis in mijn achterhoofd bleef hangen. Ook moest ik constant overgeven. 's Avonds als ik te veel gedronken had natuurlijk, maar ook ’s ochtends. Het is zelfs twee keer voorgevallen dat ik op weg naar het station even met mijn fiets aan de kant van de weg moest gaan staan om over te geven. Zo hebben jullie een beeld van wat me zover gebracht heeft.
Het verder verloop van de dag dan. Ik moest natuurlijk naar huis om mijn spullen te gaan halen. Onderweg ben ik even gestopt op de school waar de kinderen van mijn zus zitten. Ik heb er een leuke gewoonte van gemaakt om ze elke vrijdag mee van school af te halen, iets waar ik altijd erg naar uitkijk. De kinderen zijn namelijk dol op mij. Toch iemand die mij graag ziet, denk ik dan. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om mijn zus te vertellen dat ik in psychiatrie opgenomen word en haar met de vreselijke taak op te zadelen om het aan mijn ouders uit te leggen.
Dan snel naar huis. Omdat ik de raad heb gekregen om niet meer te drinken tot aan mijn opname koop ik onderweg een broodje dat ik tijdens het inpakken opeet.
De eerste ontmoeting met mijn medepatiënten is vrij positief. De eerste man die ik zag kwam de krant terugleggen en deelde me mee dat ik mocht beschikken over de televisie, die hier blijkbaar de ganse dag aan staat, ook al kijkt niemand er naar. De tweede persoon kwam zich zelfs voorstellen en me vriendelijk de hand schudden. Nummer een zou ik de rest van mijn verblijf niet meer tegenkomen. Nummer twee blijkt een zware drugverslaafde die na zijn verblijf hier tegen een jaar rehabilitatie aankijkt. Hij is buitengewoon aardig, ook al heeft hij het bij momenten zichtbaar zwaar te verduren.
Verder zijn er nog twee meisjes. De eerste is een Portugese biologe die aan de KU Leuven doctoreert en met zware heimwee zit, maar ook met anorexie en depressie. Ze is er duidelijk het ergst aan toe in de afdeling. Steeds gebogen hoofd, uiterst verlegen, rond zichzelf wentelend met haar handen voor haar mond, angstaanvallen, hyperventilatie… Ze heeft ook grote bijwerkingen van de medicatie. Het is niet zo gemakkelijk om een gesprek met haar aan te knopen, maar eens het lukt is ze uiterst vriendelijk.
Het tweede meisje is dan weer iemand die graag sociaal contact heeft en eveneens zeer vriendelijk is. Ze vraagt bijvoorbeeld altijd of er iemand mee wil gaan roken - er is hier een afgesloten rookruimte - omdat ze niet graag alleen is. Ze zegt dat ze lijdt aan een combinatie van anorexie met boulimie, maar ik vermoed dat er meer achter zit want ze heeft het recht niet om de afdeling te verlaten.
Om 9 uur ’s avonds is er steeds een groepsgesprek waarbij iedereen samen zit. We overlopen dan per persoon hoe de dag verlopen is en hoe we opkijken tegen de nacht. Wat mezelf betreft kijk ik heel erg op tegen de nacht. Niet alleen hebben de artsen me verboden om te drinken, wat natuurlijk ook mijn verwachting en bedoeling was, maar ze hebben me ook mijn zolpidem - mijn favoriete slaapmiddel - afgepakt, iets waar ik absoluut niet mee kan lachen.
Ik ben mijn pyjama vergeten en dus slaap ik met mijn kleren aan. De eerste nacht is zoals verwacht bijzonder moeilijk. Ik heb amper geslapen. Ik schat zelf dat ik enkel tussen half twaalf en half één geslapen heb, en dan nog eens tussen half zeven en half acht, het uur waarop we gewekt worden. Toch beweert de nachtverpleegster - die ’s nachts regelmatig alle kamers afgaat om te zien of de patiënten slapen - dat ik bij verschillende van haar rondes sliep. Mogelijk was ik even ingedommeld, of dacht ze dat ik sliep omdat ik stil in mijn bed lag. Vanaf drie uur ben ik alleszins beginnen lezen. In plaats van de boeken te lezen die ik meegenomen heb, lees ik teksten op mijn computer.
Ik ben begonnen aan ‘Might is Right’ - een sociaal-darwinistisch pamflet geschreven door een zekere Ragnar Redbeard. De ware identiteit van Redbeard - een pseudoniem - is nooit met zekerheid onthuld, maar er wordt beweerd dat hij een Brits-Australische socialist was, en dat zijn tekst eerder een persiflage zou zijn op het sociaal-darwinistisch gedachtegoed. Ik betwijfel dit, want deze tekst is absoluut belachelijk en slecht geschreven, te slecht om een persiflage te zijn op wat dan ook. En het klinkt ook gemeend. Het is een tirade van negatieve algemeenheden tegen alles en iedereen, een kinderlijk afgeven tegen elke moraal en elk onderscheid tussen goed en slecht, voor het recht van de sterkste in alle omstandigheden. Het is me een wonder hoe dergelijke rommel zelfs in de meest idiote extreemrechtse kringen cult geworden is.
Meer interessante lectuur is een thesis over Victor Tsoi, de legendarische zanger van de Russische new wavegroep Kino, die ik jaren geleden had gedownload toen ik schreef aan mijn artikel over Akvarium. Natuurlijk vind ik Tsoi een mindere god in vergelijking met Boris Grebenshikov, maar het onderwerp blijft me onverminderd boeien en er zitten veel referenties naar Akvarium en de Leningrad Rock Club in. Het artikel omschrijft hoe de perestrojka aanvankelijk hoop genereerde en later ontaarde in teleurstelling, een evolutie die perfect in Kinos muziek weergegeven wordt. Buitengewoon interessant.
Tegen 7 uur 30 worden we wakker gemaakt en na een kwartier worden we aan tafel verwacht om samen te ontbijten. Vannacht zijn er twee nieuwe patiënten bij gekomen. De ene is een zeer zwijgzame kerel die enkel kwijt wou dat hij al eerder opgenomen was. De andere is een sympathieke Turk die verslaafd is aan marihuana. Hij is blijkbaar gisteren om zeven uur bij spoed binnengekomen en pas vanochtend om vier uur in de afdeling binnen gelaten. Hij heeft dus amper meer geslapen als ik.
Na het ontbijt hebben we elk een individueel gesprek met een psychiatrisch assistent. Het gesprek verloopt moeilijk, vooral omdat de assistent vraagt om een ‘systeemgesprek’ te organiseren met iemand die in nauw contact staat met mij. De meest vanzelfsprekende keuze hiervoor is mijn moeder, maar ik schaam me dood tegenover haar en ik denk dat het ook voor haar heel moeilijk is. Het gesprek brengt me danig in de war en ik voel me een tijdje heel angstig.
Toch heb ik tijdens het gesprek ook een paar keer luidop moeten lachen om mijn eigen ellende. Het is ook wel grappig, toch zeker als je het vanaf een zekere afstand bekijkt. Verleden maandagochtend werd ik wakker en zag ik in de spiegel dat de helft van mijn hoofd afgeschoren was. Ik heb zondag blijkbaar onder invloed van alcohol en zolpidem de leuke ingeving gehad om me een origineler kapsel aan te schaffen. Ik moet grondig te werk zijn gegaan, want ik vond zelfs haar op mijn scheermesje en de rechterhelft van mijn hoofd was werkelijk gladgeschoren. Uiteraard mis ik mijn lange haren, en dat is ook de reden waarom ik weiger de rest van mijn hoofd af te scheren, wat nochtans de symmetrie van mijn hoofd ten goede zou komen.
Ik kon met mijn nieuw kapsel moeilijk op het werk verschijnen. Daarom draag ik nu zoveel mogelijk een beret over het kale deel van mijn hoofd. Uiteraard vonden mijn collega’s het raar dat ik de ganse dag met die pots op mijn kop bleef rondlopen, maar ik denk dat ze me nog meer voor gek hadden verklaard indien ze mijn kapsel hadden gezien. Hoe dan ook, dergelijke voorvallen bewijzen ook dat ik rijp was voor psychiatrie.
Normaal gezien mag je tijdens je eerste dag de afdeling niet verlaten. Maar naar aanleiding van de kleine angstaanval veroorzaakt door de vraag om het ‘systeemgesprek’ die ik hierboven beschreef, heb ik de verpleger uitgelegd dat ik in dit soort geval graag even naar buiten ging, dat de buitenlucht me goed deed. Ik kreeg uiteindelijk de toestemming om een kleine wandeling buiten te gaan doen, maar slechts tegen de avond. Tegen dan was het buiten al donker en was mijn angstgevoel al terug weggeëbd, maar de wandeling heeft me toch goed gedaan. Na elke wandeling wordt je verplicht om te blazen, zodat men kan controleren dat je niet gedronken hebt. Er zijn in het ziekenhuis namelijk twee kantines waar je ook alcohol kan krijgen. Ik ben trouwens één van de enigen die naar buiten mag, wat me enigszins verwondert.
Eigenlijk heb ik het hier best naar mijn zin. Vreemd eigenlijk. Maar om eerlijk te zijn, zowel thuis als op mijn werk verveel ik me vaak dood. Mijn voornaamste bezigheid op het werk bestaat uit het aftellen van de uren tot ik naar huis mag. Dan drink ik om de verveling te doden. Het is vreemd dat ik me hier eigenlijk niet verveel, terwijl ik 90% van de tijd tussen de vier muren van mijn kamer verblijf. Misschien is het omdat ik hier werkelijk van elke verantwoordelijkheid opgeheven ben. Ik hoef niets te doen. Ik kan of mag zelfs niets doen.
De enige verplichtingen zijn om met de anderen te eten, ’s ochtends een gesprek met een verpleegkundige of een psycholoog, en ’s avonds een groepsgesprek waarin we de dag overlopen. De rest van de dag zit ik op mijn kamer. Te lezen, te dromen, te schrijven. Ik heb ook een werkelijk gevoel van inspiratie, iets dat ik al maanden niet meer gehad heb. Het is hier natuurlijk geen viersterrenhotel, maar het is ook geen gevangenis, ook al is de deur op slot.
Eigenlijk is hier alles gericht op ontwenning. Ik krijg ’s ochtends een extra pil met een vitaminepreparaat - die ik samen met mijn antidepressiva onder toezicht van een begeleider moet slikken - en zelfs een inspuiting met extra vitaminen in mijn bil. Blijkbaar helpen die middelen om ontwenningsverschijnselen te voorkomen, ook op langere termijn.
Zelf heb ik eigenlijk helemaal geen last van ontwenningsverschijnselen, tenzij van een hoge bloeddruk. Mijn bloeddruk wordt hier trouwens ongeveer om de twee uur nagekeken. Er worden zelfs tijdstabellen opgemaakt met het aantal metingen die moeten gebeuren. Zo’n meting kan ook ’s nachts gebeuren, al zullen de verpleegkundigen je er niet speciaal voor wakker maken.
Ik had ook geen ontwenningsverschijnselen verwacht. De paar keer dat ik de afgelopen maanden een dag niet gedronken had - ik schat twee dagen op de afgelopen drie maanden - had ik geen enkele last van ontwenningsverschijnselen. Ik heb ook nooit last gehad van bevende armen of iets dergelijks. (Wel van overmatig zweten. Het leek er soms op dat ik al hetgeen ik dronk terug uit moest zweten, in de eerste plaats via mijn voorhoofd.)
Blijkbaar is hier onder de dokters het verhaal rondgegaan dat ik ’s ochtends dronk omdat ik last had van ontwenning. Dit is pertinent onjuist en ik heb dat ook nooit in de geringste mate geïnsinueerd. (Voor een voorbeeld van het verschijnsel dat hier bedoeld wordt raad ik de fantastische film ‘De helaasheid der dingen’ aan.) Het feit dat ik ’s ochtends of zelfs ’s nachts al begon te drinken heeft louter te maken met het feit dat ik me wanhopig voelde en dat gevoel probeerde te ontvluchten. En met zelfdestructief gedrag. Omdat ik mijn leven niet meer aankon. Blijkbaar bestaat er een zeker verwachtingspatroon bij de artsen hier waarbij alles aan ontwenningsverschijnselen te wijten moet zijn.
Op het tweede ochtendgesprek krijg ik de vraag om de voor- en nadelen van het gebruik van alcohol en zolpidem op te sommen, en de voor- en nadelen van het stoppen met het gebruik ervan. Voor alcohol is de oefening vrij gemakkelijk gemaakt. Alcohol maakt het leven lichter, helpt bij overdreven angst, helpt de tijd voorbijgaan... Daarentegen maakt het mij fysiek kapot, heeft het effecten op lever en hersenen, en maakt het me op lange termijn nog depressiever.
Voor zolpidem is de oefening iets moeilijker. De positieve effecten heb ik meteen opgesomd: het maakt de dag korter, neemt de angst en de wanhoop weg en zorgt dat je slaapt. Over de negatieve kanten moet ik mijn hoofd breken, maar na lang tobben heb ik er toch gevonden. Zo zorgt zolpidem soms voor rare verassingen ’s ochtends, zoals mijn half afgeschoren kop van een paar dagen geleden. Het zou mogelijk ook een effect hebben op het geheugen, maar daar kan ik me niet echt iets van herinneren, en ik neem het middel nu toch al meer dan tien jaar.
David Bowie beweerde ooit dat het vrij gemakkelijk is om nummers te schrijven als je drie dagen niet geslapen hebt. Hij heeft gelijk. Ik heb het ook altijd zo ervaren. Slaapgebrek leidt tot creatieve en inspirerende ideeën. Dat is een argument om geen zolpidem meer te nemen. Niet dat ik slapeloze nachten wil hebben, maar ik heb toch het gevoel creatiever te zijn als ik het niet neem. En iets anders dat ik al lang opgemerkt heb: als ik zolpidem neem herinner ik me ’s ochtends zelden mijn dromen. Als ik het niet neem herinner ik me ze wel. Dromen vind ik geweldig. Ze zouden wat mij betreft zelfs de plaats van de werkelijkheid mogen innemen.
Ik krijg de toestemming om ’s middags een langere wandeling te doen. De wandeltijd komt overeen met de bezoekuren. Ik wil sowieso geen bezoek. De bedoeling is net om me af te zonderen van de buitenwereld. Misschien is dat ook een reden waarom ik me hier goed voel. Draussen ist feindlich, zoals Einstuerzende Neubauten ooit uitschreeuwden. Hier ben ik veilig.
Mijn wandeling behelst een volledige toer van het gasthuisbergcomplex, dat toch vrij groot is. Gasthuisberg werd in 1975 geopend als een plaats waar zowel onderzoek, onderwijs als patiëntenzorg op medisch vlak op een plaats verenigd worden, en groeit nog steeds aan. Ik lees ook de informatie over de op til staande verbouwingen. De afdeling psychiatrie zal een nieuw gebouw krijgen en flink uitgebreid worden. Een goed ding. Maar de vijvertjes naast de ingang zullen plaats moeten maken voor nog meer beton, en dat is niet zo goed.
Als ik terug kom van de wandeling wordt ik opnieuw overmand door een groot gevoel van angst. Ik had beloofd om nu mijn ouders te contacteren voor het ‘systeemgesprek’ waar ik zo tegen opzie. Ik stel het zo lang mogelijk uit en raap dan mijn moed bijeen om een sms naar mijn moeder te sturen. Eens die verstuurd is vlucht ik weg. Ik laat mijn gsm achter bij de verpleegkundige met de vraag om te antwoorden indien mijn ouders zouden bellen en vertrek voor een nieuwe wandeling rond gasthuisberg, deze keer door de gietende regen. Een regen die perfect bij mijn gemoed past.
In deze situatie zou ik thuis al meteen op korte tijd heel veel gedronken hebben. Als ik terugkom blijken mijn ouders geantwoord te hebben, via sms. Ze zijn bereid om te komen voor het systeemgesprek en vragen of ze mij mogen bellen. Ik antwoord dat ik hen de dag nadien wel zal opbellen. Uitstelgedrag.
Ik mis zolpidem. Ik slaap behoorlijk, maar lig toch ook een deel van de nacht wakker. En ik begin te piekeren. Ik denk na over mijn omgang met andere mensen. ‘Dingen die für sie wichtig, sind mir ganz einerlei’, zingt Mantus. Ik heb gewoon heel andere interesses dan de rest van de mensheid, of toch het merendeel ervan. Ik ben niet geïnteresseerd in de slimste mens of Wouters versus Waes. Wel in Tsjechische undergroundmuziek en in de onderhandelingen van Trotski in Brest-Litovsk. Ik en de wereld, we zitten niet op dezelfde golflengte.
Concentratieproblemen zijn relatief. Op sommige onderwerpen kan ik me concentreren, op andere helemaal niet. Geldzaken stel ik altijd zo lang mogelijk uit. Maar als ik overmand wordt door angst, zoals deze namiddag gebeurt, is zelfs twee zinnen lezen een hele opdracht. Ik doe twee uur over een halve pagina.
Op de voorlaatste dag krijg ik de opdracht om op te lijsten wat ik wil veranderen in mijn leven, waarom, hoe ik dat zou aanpakken, enzovoort. Ik heb met nieuwjaar geen goede voornemens gemaakt en krijg nu de kans om dat in te halen. Uiteraard neem ik me voor om niet meer te drinken en geen zolpidem meer te nemen. Maar ook om me meer in te zetten voor mijn hervonden doelen in het leven, actiever te zijn en om ander werk te zoeken.
De meest vervelende vraag is die naar de dingen die mijn plannen kunnen dwarsbomen. ‘De wereld’ schrijf ik als eerste antwoord op. De werkelijkheid, met andere woorden. Een werkelijkheid die ik echt niet kan uitstaan en waar ik nu net vier dagen van afgesloten was. Angst die leidt tot drinken. Dat mensen iets zeggen dat me stoort. Eigenlijk is er niet veel nodig opdat ik terug zou hervallen in de levensstijl van voor mijn opname.
De laatste avond. Mijn verblijf hier loopt op zijn eind. Vier dagen lang heb ik geen enkele verantwoordelijkheid moeten nemen, werd er constant op mij gelet, zat ik met mensen samen die net als ik worstelden met hun leven en met hun verslavingen. Het voelde aan als een veilige cocon, afgesloten van een vijandige buitenwereld.
Soms ben ik geneigd om te denken dat mijn werk een gekkenhuis is. Maar dat is het niet. Er is één belangrijk verschil. In psychiatrie zijn de mensen veel vriendelijker met elkaar dan op mijn werk, waar men elkaar zonder reden het leven zuur maakt en het bloed van onder de nagels pest. Nochtans is het volk dat hier zit hetgeen je verwacht. Je zit hier samen met junks, mensen met anorexie, neuroten die in een hoekje kruipen, maar evengoed met familievaders die een of ander psychisch probleem hebben. Mensen met een universitair diploma en mensen die hun school niet afgewerkt hebben. Werkenden en werklozen. En al die mensen zijn supervriendelijk met elkaar. Behulpzaam, ondersteunend, attent, beleefd, vrijgevig en vooral… solidair.  Zeer solidair. Heel anders dan op mijn werk, dus.
Op mijn laatste dag is dan het moment gekomen waar ik zo tegen opzag: het systeemgesprek. Ik word naar een kamer geleid waar mijn ouders op mij zitten te wachten. Er zijn twee medewerkers bij die het gesprek in goede banen moeten leiden. Ik moet nu dus proberen aan mijn ouders uit te leggen wat er mis is met mij en waarom ik hier terecht gekomen ben. Afschuwelijk.
Gelukkig zijn mijn ouders van het uiterst verdraagzame en vriendelijke soort. Ik heb altijd steun van hen ondervonden als het moeilijk met mij ging. Toch heb ik het gevoel dat ze mijn probleem niet begrijpen, in het bijzonder mijn depressie. In de loop van het gesprek wordt ook duidelijk dat ze mij zoveel mogelijk van de verleiding moeten houden om alcohol of zolpidem te nemen. Op het einde van het gesprek begint mijn moeder te janken dat ze het allemaal niet begrijpt. Gênant, maar gelukkig is de tijd om.
Ik krijg de kans om mijn ouders even rond te leiden in de afdeling. Eigenlijk behelst die maar een veertigtal vierkante meter, waar we met zes patiënten en twee verpleegkundigen samenhokken. Ik toon ze ook de kamer waar ik het grootste deel van de tijd gezeten heb.
Dan neem ik afscheid van mijn ouders en is het tijd voor het laatste middagmaal met mijn medepatiënten. Iemand vraagt me om tijdens mijn middagwandeling nog sigaretten voor haar te gaan halen, wat ik ook doe alhoewel ik hiervoor het reglement moet overtreden en buiten het domein van Gasthuisberg moet treden. Bij mijn terugkeer neem ik afscheid en wacht ik af tot ik een seintje krijg dat ik naar buiten mag, iets waar ik eigenlijk tegen opzie.
Vijf dagen lang ben ik afgesloten geweest van de vijandige buitenwereld. Nu word ik er weer in gegooid. Wat zal het geven? Zal ik terug in mijn slechte gewoonten hervallen? Zal ik terug elke dag tegen mijn zin uit bed komen? Ik heb het gevoel dat dit verblijf een breekpunt zou kunnen zijn in mijn depressie, dat ik over een dieptepunt ben. Maar wie zegt dat er geen nieuwe dieptepunten komen? Wie zegt dat ik niet opnieuw begin te drinken als ik volgende keer door angst overmand ben? Veel twijfels dus, maar ook frisse moed en een gevoel van terug perspectief te hebben in het leven. Hopelijk kan ik dat nog even aanhouden. Het wordt een hele opgave.

1 opmerking:

Laurence Kruth zei

Tiens bon. Je pense à toi. Et il n'y a pas que les enfants qui t'aiment.
Laurence.